
De mevrouw die mij op het perron van Station Hollandsche Rading eerst ernstig had gadegeslagen terwijl ik mijn lijstje dwangneurosen afwerkte voordat ik op pad ging om de bossen in de omgeving te bewandelen, stapte ineens op mij af om te vragen of ik ook bij de wandelclub ‘De Wielewaal’ hoorde.
(Oh, trouwens, ik heb de sterke neiging onderdrukt om een lijstje van mijn dwangneurosen in dit verhaal op te nemen. De verleiding was groot, maar het lijstje was/is eigenlijk een behoorlijk lange lijst en dat houdt nogal op. Eh… zoals deze terzijde. Lees vooral door!)
‘Nee, het spijt me,’ antwoordde ik. En wat me ook speet: dat ik nu moest denken aan de wandelclub waar ik wél lid van was geweest. Zij had namelijk ergens in mijn achterhoofd een hele kist vol met herinneringen aan die club opgerakeld.
(Geen goed Nederlands, want een kist kun je niet oprakelen, maar ik laat het staan, omdat ik anders niet verder kom met dit verhaal.)
Dat ik lid was geworden van die wandelclub, kwam door mijn gebrekkige integratie in het leven en de cultuur van het dorpje waarnaar wij, een monter gezin van geboren en getogen Amsterdammers, waren verhuisd om dichter bij het werk van mijn vader te wonen. Al snel bleek dat in het dorp al het andere juist verder weg was. Eigenlijk was voor mij het hele dorp ver weg. Figuurlijk dan.
Dus ik moest ergens bij. Integreren avant la lettre.
Mijn moeder had uitgevonden dat er vier ‘clubs’ waren waar jongens in het dorp lid van konden worden. ‘De verkenners’, een onderdeel van scouting, viel af vanwege mijn moeders oorlogsherinneringen. Ze had die verkenners aan de rand van het dorp, waar een soort bos was, eens bezig gezien met hun activiteiten en ze vond het gewoon een sneue maar even verwerpelijke variant van militarisme. Niks voor haar zoon.
Dat gold ook voor ‘de misdienaars’, geen echte club, maar wel iets waar je lid van kon worden. Wij waren katholiek en we gingen naar de kerk, maar mijn moeder vond ‘in een ongetailleerde jurk en dito overgooier de pastoor tijdens de mis helpen met tafeldekken’, gewoon té katholiek. Lees: overdreven. Niks voor ons.
De voetbalclub leek haar wel wat. Ik weet niet meer wat ik er zelf van vond. Ik werd lid. Maar voetballen, daar kwam het niet van. Ik zat een half jaar op de reservebank, samen met een jongen die ook van elders kwam. Dat mijn moeder al snel haar beklag deed, werkte waarschijnlijk averechts, want dat deed ze natuurlijk veel te Amsterdams, en niet zoals in het dorp de gewoonte was, op gesuikerde toon via een of andere omweg die drie keer zo lang duurde en altijd vernederend was. Dus ik verliet V.V. de Maasboys, a sadder and wiser child.
Restte ons de wandelclub. Die was niet wat mijn moeder ervan verwacht had, want ik was amper lid of ik moest een uniform komen passen bij een mevrouw die haar hele schuur vol had hangen met broeken, overhemden, stropdassen en wat al niet meer. Het wandelen bleek in geen velden of wegen ‘Kom mee naar buiten allemaal…’ Het was niks anders dan op de maat en in gelid mooi en deftig lopen. Ik ontwijk hier het woord marcheren, want dat deed mijn moeder ook. De wandelclub was namelijk haar enige overgebleven hoop op een sociaal leven voor mij, dus zij verdrong dat de wandelclub wel heel erg op een ongewapend en iets vrolijker gekleed leger leek. Want ik ging er vriendjes maken.
Niet.
Iedere zondagmiddag, als ik thuiskwam van een wandelwedstrijd – Een wandelwedstrijd! Het idee alleen al! – ging ik in de huiskamer op de bank zitten en vroeg mijn moeder hoe het was geweest. En dan vertelde ik haar wat ik had meegemaakt.
Niets.
‘Huh?’ zei Koala, ‘Ik dacht dat je nou die “hele kist vol met herinneringen” open ging doen. En ik niet alleen, denk ik. Iedere lezer (m/v/x) die tot hier is gekomen ook. We zaten ons met z’n allen al te verkneukelen.’
‘Oja, die kist…’ zei ik. ‘Die heb ik toch maar dichtgelaten. Hij stond niet voor niets ver weg in mijn achterhoofd.’
‘Hm… Maar wat heb je dan allemaal aan die mevrouw van ‘De Wielewaal’ verteld?
‘Eh… die mevrouw?’
‘Ja, de mevrouw die net een half uur naar je heeft zitten luisteren! Kijk, daar gaat ze.’ Koala wees in de verte, waar ik haar in de richting van het dichtst bijzijnde bos zag lopen. Zónder wandelclub ‘De Wielewaal’. Ze koos zonder op of om te kijken het eerste pad dat ze tegenkwam en verdween tussen de bomen. Gejaagd, alsof ze door spoken werd achternagezeten.
‘Ja, jouw spoken waarschijnlijk,’ zei Koala. ‘Je moet eens leren om gewoon antwoord te geven als iemand iets vraagt. Een kórt antwoord. Geen brain dump van wat er dan allemaal in je opkomt! Daar schrijf je maar een verhaal over.’
‘Oké.’
(Da capo.)
De foto komt van Wikimedia Commons. Zie hier voor details.








