Cavia moest een nieuwe zwembroek hebben. Vond hij. Hij heeft er al een stuk of acht, maar een paarse ontbrak nog, voor bij zijn badmuts en bandjes van dezelfde kleur. Kleurencoördinatie, dat is wel een dingetje van hem. Iedere andere cavia zou zich zorgen maken om voldoende gras voor het avondeten, maar die van mij staat de halve dag voor de spiegel om zijn ensembles te checken. Assorti is het kernwoord. Hij is de eerste keer voor zijn A-diploma gezakt omdat-ie niet kon kiezen wat hij aan moest voor het onderdeel gekleed zwemmen.
‘Doe gewoon iets aan wat lekker zit,’ zei ik. Fout advies. Ook al omdat hij dus echt niks had om aan te trekken, want daar was zijn garderobe niet op voorbereid, op nat worden.
’In het water ziet alles er anders uit!’ riep hij.
Dat is zo.
Goed, zijn discussies met de badmeester over de definitie van ‘gekleed’ laat ik hier achterwege. Een zwemslip met bijpassende sokken en een haarband valt in ieder geval niet onder ‘gekleed’. Onthou dat.
In de sportwinkel liepen jongens en meisjes met headsets op gejaagd de zaak te managen alsof het een reddingsoperatie was. Voor iemand als ik, die de wereld in het algemeen en andere mensen in het bijzonder zelden goed begrijpt en voor wie communicatie zeker niet de eerste optie is om dat probleem op te lossen, is het nogal verwarrend als het winkelmeisje van de badkleding hem telkens glimlachend aankijkt terwijl zij met haar collega van running de maatvoering van crossfit skinny strap racer-bh’s doorneemt.
Mixed signals! Niet goed!
Waar was ik?
Oja, Cavia wurmde zich intussen in een lila aquashort.
‘Is deze passend?’ vroeg het meisje.
Aan ons, niet aan haar collega.
‘Pássend?’ vroeg Cavia terug.
Het meisje knikte terwijl ze haar headset rechtduwde en terugschakelde naar de sport-bh’s. ‘Nee, als je vooroverbuigt zie je niks. Daar zijn ze net voor bedoeld! Dat alles blijft zitten.’
Cavia schoof het gordijn van de fitting room opzij en stak zijn hoofd naar buiten. ‘Eh?’
‘Is deze passend?’ herhaalde ze.
‘U bedoelt of hij past?’
‘Ja, dat vraag ik toch?’
‘Nee, u vraagt of hij passend is. Pássend! Tegenwoordig deelwoord. Participium praesentis.’
‘Eh?’
Ja, mensen, we zitten midden in een opleving van het akelige tegenwoordig deelwoord. Ja, akelig!
Passend, al helemaal. Dat is deftigdoenerij. Want moeilijk terwijl het makkelijk kan. Vaag. Een swimming brief is te groot of te klein of precies goed en in dat laatste geval, past-ie. Punt.
Passend, dat is ongevéér. het populairste woord in de hedendaagse beleidsnotitie. Altijd handig als je eigenlijk nog alle kanten op wilt.
U moet het niet verwarren met ‘gepast’, trouwens. Ik zeg het maar even. Aan het strand is een zwembroekje gepast, op de afscheidsreceptie van een minister en staatssecretaris niet. Of het nu passend is of niet; eh, past of niet. Het broekje dan.
(Als u nu Fred Teeven en Ivo Opstelten in hun Speedo’s op zoek naar de bitterballen ziet gaan, sorry.)
Het meisje in de winkel staarde Cavia glazig aan. Ze was weer elders met haar hoofd en luisterde naar de bh-verkoopster van running. ‘Uh, Samira wacht even, ik heb hier even een situatie.’ Cavia kwam uit het hokje om een paar stappen heen en weer te doen. ‘Er loopt hier iemand bij de hand te doen.’
Het was waar. Want Cavia paradeerde pedant langs de kledingrekken terwijl hij luid declameerde dat hij ‘passend passen in zijn gepaste en passende zwembroek zette’.
Taal is zeg maar echt zijn ding, om eens iemand te citeren.
Toen bleek dat zwembroekjes nog iets van sport-bh’s kunnen leren, en dat het sowieso beter is om die dingen niet op de groei te kopen. Zorg dat-ie past, dus. Passend, dat bleek nu wel, is echt niet precies genoeg.
Hoewel de agent die het proces-verbaal opstelde, het wel netjes noteerde toen het meisje hem vertelde dat Cavia’s slip niet passend was. En vervolgens schreef hij ook op wat Cavia haar en de rest van de winkel had laten zien. Al dan niet met opzet.
Ongepast was het wel.
Die regenjas waar hij het laatst over had, gaat hij maar alleen kopen.
