Op perron vier van het station Amersfoort zat een blinde man. Dat is te zeggen, er was daar een bank en op die bank zat die man.
Blind.
Zijn geleidehond – Labrador – stond naast hem, met zijn kop op de man zijn dijbeen. Precies in de zon.
Ogen dicht.
Als ik die man was zou ik het daar eens met hem over hebben, maar wie ben ik.
Niet die man.
Hij (de man) voerde op luide toon en met schelle stem een telefoongesprek. Aan de andere kant een kennelijk oude bekende die niet zoveel van hem wilde weten. In ieder geval geen bezoek.
Veel ongelovige oh’s en ja-dat-begrijp-iks van de blinde man.
Teleurstellingen.
Ik begreep die kennis met zijn afwijzing wel een beetje, eerlijk gezegd. Die opdringerige stem zou meteen mijn hele huiskamer vullen en om een of andere reden leek de blinde man me iemand die ongehinderd door verlegenheid of fatsoen in no time een aanzienlijk gat in mijn voorraad proviand zou eten en drinken. & dan precies de dingen zou opmaken waar ik helemaal voor naar de andere kant van de stad was gefietst. Noem me ongastvrij en -gezellig, maar ik word zenuwachtig van zoiets. En ja, ik zag ik de man voor het eerst in mijn leven, maar dat beeld van hem op mijn bank drong zich zonder al te veel nuanceringen aan me op. Vraag me niet waarom. Ik ben een zenuwlijder.
Hoe het ook zij, zijn oude bekende kon hem ook niet ontvangen want zat midden in een verhuizing. Nee, dat was niet handig, begreep de blinde man. Hij hing op en ging staan. De hond schrok wakker.
Grappig. Want menselijk. Altijd leuk, dieren die mensendingen doen. Poezen die struikelen. Hilarisch. Andersom is het dan weer geheimzinnig (bat-/spiderman) of verwerpelijk (angsthaas, male chauvinistic pig).
Eh… die man.
Pas toen hij stond zag ik dat zijn geleidestok ook een kruk was. Of andersom. Hij liep als de klokkenluider van de notre dame.
Liep. Zonder stok.
Smaken verschillen en stijl is persoonlijk maar ik schrijf toch gewoon op dat de man er raar uitzag. Hij leek op Lambik, maar dan met een te grote slobbertrui in plaats van een overhemd met strikje.
Wel die te korte broek.
Witte kuiten met zwarte haren.
Tja.
Ik zou me geen raad weten als ik blind was. De spiegel is mijn beste vriend. Ik ben namelijk de hele tijd bang dat ik er verkeerd uitzie en mensen mij uitlachen. Omdat mijn sokken niet bij mijn overhemd kleuren. Of mijn hoed niet bij mijn jas. Ik stelde me voor dat ik iedere morgen voor ik vertrok aan de buurvrouw zou vragen of mijn outfit klopte. Want zo’n blindengeleidehond heeft ook zijn grenzen. Los van de communicatieproblemen tussen mens en beest, leken me dat geen dieren met verstand van color co-ordination.
Zeker de Labrador van de man niet. Geen oplettend type.
Vlak voor de rand van het perron plantte de man zijn stok als een soort derde been voor zich en boog hij voorover om er lekker relaxed op te gaan hangen, met zijn hoofd precies op hondenkophoogte. Nu werd ook duidelijk waarom hij zo krom liep. Die hoogte was belangrijk.
De hond ging voor hem staan en likte, nee, tongde de man.
Het hele perron rilde. De man zei: ‘ja, je bent braaf’.
Weer die tong.
En huiver alom.
Ik schoot in de lach. Innerlijk dan. Als wij al in de verleiding waren gekomen om ons afgrijzen open en bloot uit te spelen, omdat de man ons toch niet kon zien, was hij ons voorgeweest. Hij had het omgedraaid en deed gewoon wat hij wilde omdat hij toch niet kon zien hoe wij reageerden. Blind zijn als de weg naar volstrekte vrijheid. Geen hel, want ook geen anderen. Ik leg dit niet uit, zie Sartre.
De trein kwam en we schuifelden naar voren. Ik kwam naast de man terecht.
De hond keek naar zijn baas.
Ik naar de hond.
En van de hond naar de man.
Stapte onhandig in.
Trapte de hond op zijn teen.
Piep! Waf!
De man ging rechtstaan en keek me giftig aan.
‘Ken je niet uitkijken, lul?!’ Schelle hoge stem. Priemende blik.
Eek!
Collectieve verontwaardiging van de omstanders.
Anderen.
De deuren sloten.
