Tour de France

TdF2

De Tour de France, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Ik had in geen jaren een rechtstreeks verslag gevolgd, maar toen ik las dat Mart Smeets geen enkele merkbare bemoeienis meer had met de wielrensport op tv, besloot ik me er weer eens aan te wagen.
Ja, sorry hoor, maar die man verdraag ik niet. Hij is zo ijdel als de stiefmoeder van Sneeuwwitje, met dit verschil dat hij geen spiegel heeft die hem de waarheid vertelt. Of hij heeft er wel een, maar hij luistert niet.
Ik denk dat laatste.
Maar goed, de Tour de France.
In plaats van één Mart, waren er inmiddels twee commentatoren, ontdekte ik na een poosje. Ja, dat duurde even, want ze keuvelden en mompelden precies hetzelfde, wat een gestaag kabbelende stroom van ditjes en datjes opleverde waar ik maar met moeite twee verschillende praters in kon herkennen.
Waarom er twee van die mannen zijn, geen flauw idee. Eén is eigenlijk al veel. Er gebeurt namelijk niks tijdens zo’n etappe. Ik bedoel, er gebeurt wel iets, maar niets waar een oplettende kijker uitleg bij nodig heeft. In tegenstelling tot wat iedereen altijd beweert, is in zo’n wielrenwedstrijd namelijk echt heel simpel. Iedereen doet altijd heel geheimzinnig over strategieën en tactieken, maar dat is onzin.
Mannengedoe.
De Tour de France is net zo ingewikkeld als de honderd meter sprint. De wereldkampioen BMX vertelde gisteren kort en bondig waarom hij gewonnen had: ‘Ik dacht: zo snel mogelijk naar de finish, en gelukkig kwam niemand me voorbij’. Zo is het , wie het snelste is, komt al eerste aan en wint.
Het enige verschil is dat een etappe oneindig veel langer duurt dan honderd meter sprint of een rondje bmx’en.
Waarom de omroep zoiets nagenoeg integraal uitzendt, weet ik niet.
Vroeger, toen ik fan van Eddy Merckx was, deden ze dat dus ook niet. Ze lieten alleen de laatste klim van de ergste bergritten zien, met twee misselijkmakende camera’s waarvan er meestal één achter een auto vol reservewielen bleef steken als er eens iemand demareerde. En dat dan alleen als de helikopter die voor verbinding moest zorgen niet door mist aan de grond moest blijven. Ja, jongens en meisjes, dat was nog vóór de tijd dat Mart Smeets geheel en al uit absurde beeldspraak en enge truien bestond.
Maar goed, tegenwoordig moet iedere zweetdruppel en abusievelijk ingeschakeld binnen- of buitenblad van dichtbij te bekijken zijn, vergezeld door een verslag en duiding daarvan. Want hoewel het nog steeds de bedoeling is om heel hard te fietsen en dan als eerste aan te komen, hebben de mannen achter de microfoon dus allerlei ingewikkelde theorieën over waarom dat niet zo is.
Ze zeggen om de haverklap veelbetekenende dingen als: ‘Nee, die gaat niet rijden natuurlijk’, of: ‘Ze vallen stil, want ze vertrouwen elkaar niet.’
Eh… het is een racefietswedstrijd! Een beetje argwaan jegens je tegenstanders hoort daarbij, want die willen ook winnen. En om dat te kunnen moeten ze echt gaan rijden, dus dat gaan ze heus wel doen.
Ja, ze worden natuurlijk moe, en niet allemaal tegelijk, waardoor er van lieverlee groepjes van gelijk vermoeiden ontstaan, maar om die dan, zoals de verslaggevers doen, heel interessant en spannnend kongsi’s noemen en er vervolgens schimmige theorieën omheen te fabuleren, dat is bijna sneu.
Zonder die verhalen is er niks aan, denken ze.
Ik zou zeggen, met die verhalen erbij is het volslagen idioot. Ze doen namelijk uitsluitend beweringen die nogal wiedes zijn, zoals: ‘de belangrijkste vraag is of hij vaart kan maken’, of: ‘piekbelasting kun je niet zo lang volhouden’.
Nog erger zijn hun analyses. Die plukken ze heel overtuigd ergens uit hun onnavolgbare verstand, om ze drie tellen later net zo makkelijk te vervangen door tegengestelde als de werkelijkheid (de hele tijd vol in beeld!) hun psychologie van de koude grond logenstraft.
Dan zeggen ze bijvoorbeeld eerst: ‘Nibali heeft geen benen meer’, en niet lang daarna (als de man er op zijn dooie gemak vandoor gaat): ’Ah, kijk, Nibali heeft zijn benen weer gevonden.’
Die onzinnige geheimtaal is bedoeld om te maskeren dat er echt niks gebeurt wat we niet zelf kunnen zien en ons de indruk te geven dat wij er zonder hun vertaling echt niks van snappen. Ze zouden ook kunnen zeggen: ‘Nibali is moe’, en daarna ‘Oh, nee, toch niet’, maar dat is niet alleen ridicuul, maar ook overbodig, dus dat doen ze niet.
Ze zouden ook hun mond kunnen houden en alleen iets zeggen als er wat nieuws te melden is, iets wat wij, de kijkers, niet zien of weten. En dan bedoel ik niet dat Nibali nog steeds zijn overleden oom mist, de man die hem niet alleen heeft opgevoed nadat zijn vader en moeder tijdens het plaatselijke oogstfeest in de eeuwenoude olijvenboomgaard door een onfortuinlijke blikseminslag het leven lieten, maar die hem en passant ook de fijne kneepjes van het racefietsen heeft geleerd, en dat hij terugdenkend aan die oom juist wel of niet wil/kan rijden.
Nee, dat niet. Ik bedoel informatie waar je als kijker iets aan hebt.
Relevante gebeurtenissen, buiten beeld.
Daar zijn er heel weinig van.
Niet genoeg voor twee mannen met microfonen.
We leven in 2015! Waar je maar surft, struikel je over de informatie! Die heb ik allemaal al tevoorschijn gehaald op mijn mobieltje terwijl ik zit te kijken. De misvatting van journalisten is dat die informatie dan extra is.
Dat is dus niet waar. Zíj zijn extra.
Ik bedoel, nog even en we kunnen gewoon op ieder moment kiezen met welke helmcamera (voor of achter) van welke renner we de race via internet willen volgen, en dan kunnen we zelf zien dat Nibali gewoon allebei zijn benen nog heeft! En ik zie nu al grafiekjes van zijn bloedsuikerspiegel linksboven in beeld verschijnen, zodat we zelf kunnen zien wanneer hij moet eten.
Want te weinig eten, dat is echt hét onderwerp van dit jaar. Hongerklop heet dat. Toen Eddy Merckx nog meedeed had je dat niet (toevallig genoeg noemden ze hem de kannibaal, dus misschien had hij gewoon altijd genoeg te eten en was het geen issue).
Toen had je de man met de hamer. Wat die deed, weet ik niet.
Hm.
Hoe dan ook, in de drie kwartier dat ik het volhield om naar die mannen te luisteren, bleek hongerklop een verklaring voor zo’n beetje alles wat er gebeurde. Ze brachten het om de zin ter sprake. Als ze het tenminste niet hadden over de Nederlanders die zoek waren.
Want dat is in alle jaren nog altijd hetzelfde gebleven. Er is altijd een Nederlander die ze kwijt zijn. Alle informatie-overload ten spijt, blijkt die zichzelf telkens (letterlijk!) zoek te kunnen rijden. Meestal komen ze er dan een paar uur na de finish (ik vermijd hier de term ‘meet’) achter dat die na drie lekke banden en een dubbele hongerklop is afgestapt.
Misschien biedt dat wel mogelijkheden voor die mannen. Laten ze zich specialiseren in de opsporing van verdwenen Nederlanders.
Dan hebben ze werk zat.

Een gedachte over “Tour de France

  1. Heerlijk om te lezen als wielrenliefhebber! Een tip: op de Belgische omroep de Tour volgen, beter commentaar en hele stukken waarin gewoon gezwegen wordt!

    Like

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.