Het nadeel van fietsen is de fiets. Ik bedoel dan vooral wielrennen.
Daar heb je ook een fiets voor nodig.
Een racefiets.
Zo’n fiets is eigenlijk niks anders dan een goed georganiseerde en behendig in elkaar geschroefde verzameling onderdelen.
Spullen.
Dat zijn mannendingen.
Niks voor mij.
Ik ben wel een man, maar mijn ouders waren heel hip en modern, dus die hebben voor mij alleen het basispakket genomen, zodat ik later zelf altijd nog kon zien welke opties ik er bij wilde bestellen. Of, nou ja, hun besluit was ook wel een beetje uit praktische overwegingen geboren, want mijn vader had zelf ook alleen het basispakket en zich nooit extra’s kunnen veroorloven, dus hij had geen idee wat een man verder nog nodig had.
Hij had zelf ook nooit iets gemist.
Had ook geen spullen.
Geen gereedschap, bijvoorbeeld.
Dat wil zeggen, toen ik drie en een half was vonden we op de terugweg van een bezoek aan mijn oma, die aan de tweede Kosteverlorenkade in Amsterdam woonde, op de Postjesweg (ook in Amsterdam) een blauwe, half gevulde gereedschapskist en daar heeft hij het mee gedaan tot zijn dood. Er zaten een hamer, een nijptang, een verroeste zaag, een paar schroevendraaiers, en een Bahco in (zo’n Engelse sleutel met een wieltje om te verstellen, ik heb mooie herinneringen aan eindeloos dat ding zonder enig doel groter en kleiner maken), en een draadstripper. Waar die voor diende, ontdekten we pas toen ik vele jaren later verkering kreeg met de dochter van een electricien, die (de dochter) voor ze het schaterlachend uitmaakte nog wel het lieve geduld opbracht om me de toepassing ervan met een mooi kleurig bosje snoeren en draad uit te leggen.
Dat ik mij er niet voor schaamde dat zij mij technisch onderricht gaf, vond ze eigenlijk verontrustender dan dat ik niet wist wat die tang voor een ding was.
En dát begreep ik dan weer niet.
Komt allemaal door dat basispakket. Minimale identificatie (pun intended). Ik heb me ook eens zonder ook maar de minste schroom de buitenspelval laten uitleggen door mijn buurmeisje. Want ik liep er telkens in.
Maar goed, ik heb dus niks met spullen. De liefde voor spullen doe je op als je met andere mannen omgaat. Dat doe ik erg weinig, want ik begrijp ze niet.
Een voorbeeld.
Terwijl ik dit zit te typen in mijn favoriete café komt er een man binnen op zoek naar de krant. In zijn ene hand een zonnebril en een of andere creditcardholder-schuine-streep-portemonnee, in zijn andere hand autosleutels en mobieltje.
Spullen.
Ik denk dan, gooi die zooi in een tas.
Ja, een vrouwenoplossing.
(Voor wie het per se weten wil of voor wie mij liefdesbrieven wil schrijven, ik ben hetero, dat was de standaardinstelling van het basispakket en mijn ouders waren wel modern, maar geen thrillseekers).
Nog een voorbeeld. Ik kwam gisteren in een kledingzaak, en bij de mannenkleren hingen een volnerf rundlederen kookschort. Ik bleef er bij staan.
En keek ernaar.
‘Voor de barbecue,’ verklaarde het meisje van de winkel.
Hm. Barbecue. Dat is in de open lucht vlees verbranden. Ik zag messen, spatels, duivelse vorken, grijpers met scherpe tanden.
Iets voor mannen.
‘Of ze dragen ze ook wel als ze iets ambachtelijks doen.’ Ze glimlachte naar me alsof ik van een andere planeet kwam. En ik had nog helemaal niks gezegd. Ging ik ook niet doen.
Snel de winkel uit.
Terug naar die fiets.
Ik fiets altijd alleen, dat zal u niet verbazen. Op een tweedehands fiets uit 1994, waar de fietsenmaker alle spullen op heeft gezet waarvan ik bij de aankoop niet had gezien dat ze kapot waren of gewoon ontbraken. Telkens als ik weer bij hem kwam, vroeg hij zich hardop af of ze het onderdeel dat ik nodig had nog wel konden bestellen. En hij riep ook erg vaak zijn vader erbij. Een man van zeventig of zoiets.
Goed, het is een oude fiets.
Niet te verwarren met vintage of old skool.
Oud is belachelijk, vintage of old skool is superhip.
Maar het beste is gewoon toch gewoon alles nieuw.
Technologisch hoogstaand. Ontwikkeld door NASA. Gemaakt van high modulus composite fibres.
Vraag me niet waarom. Nieuw is de norm, vintage is een statement, oud is zielig. Het is zo.
Dat zie ik aan de blikken van andere mannen op de fiets.
Hoe kijken ze dan? Precies zoals vrouwen elkaar bekijken als ze op een feestje binnenkomen. Zo’n bij voorbaat misprijzende scan van boven naar beneden en weer terug.
Dodelijk.
Als je een vrouw bent.
Zo kijken mannen op de fiets ook, met dit verschil dat ze niet elkaar maar elkaars spullen bekijken.
Ik weet dan natuurlijk niet waar ik kijken moet (lees dit goed: omdat ik niet weet waar ik naar kijken moet!).
Meestal valt mijn oog op iets wat er totaal niet toe doet. Hun buiken bijvoorbeeld. Lieve help wat een enorme gevaarten zijn dat zeg. Die mannen zijn geen wielrenners, maar ballonvaarders!
Ik ben eerlijk gezegd wel blij dat zo’n pens ook niet in mijn basispakket zat.
Wat moet je ermee?
Dat hoorde ik later. Ze bewaren er hun reservespullen in.

Een gedachte over “Spullen”