Vroeger smaakten mijn boterhammen met chocoladepasta wel eens naar tomatensoep.
Rare gewaarwording.
Ik heb het nu over de tijd dat mijn moeder boterhammen voor me smeerde. Op dezelfde houten plank waarop ze uien en andere groenten sneed.
Het duurde even voordat we daar met zijn allen achterkwamen, dat het daardoor natuurlijk kwam dat onze boterhammen vreemd smaakten.
Wat me nu nog wel eens bezighoudt, is de vraag waarom we het zo laat ontdekten. Ik bedoel, ik had al sinds ik kon kauwen boterhammen met chocoladepasta gegeten. En toen opeens op een dag die bijsmaak. Hadden we tot dat moment nog nooit een houten snijplank gehad? Had mijn moeder haar werkwijze veranderd? Soepgroenten in het algemeen of de ui in het bijzonder in ons huishouden geïntroduceerd?
Zij weet niet meer hoe het zat. Wel hoe het afliep. Ze boende het ding aan een kant schoon met bleek en schreef er daarna met een Oostindische inkt ‘Brood’ op. Dat wist ik ook nog (Ik zie zo haar hartverscheurende huishoudschoolhandschrift weer voor me), want toen ik later op kamers ging en in studentenhuizen kwam te wonen was telkens het eerste dat ik deed altijd precies hetzelfde. Alle planken kregen aan één kant brood als bestemming (met bleek schrobben kon toen niet meer, daar was ik te links voor).
Een guitige huisgenoot voerde op een regenachtige zondagmiddag dat principe eindeloos door op alles wat er maar in de keuken te vinden was. Alles kreeg een specifiek doel. Zo was er een pan waar ‘Aardappelen’ op stond en een pan voor ‘Spruitjes’.
Een heilloze onderneming natuurlijk, want er waren veel meer bestemmingen dan de best toch wel grote verzameling potten, pannen, en ander gerei die wij hadden.
Het was ook een zenuwtergende actie. Voor mij dan. Want ik krijg het dus gewoon niet voor elkaar om iets anders dan aardappelen te eten uit een pan waar ‘Aardappelen’ op staat.
Je bent een zenuwlijder of niet.
Mijn kinderen hadden vroeger bekers met kleine symbolische icoontjes van dranken erop. Hoe mensen limonade kunnen drinken uit een beker waar een uier op staat, is mij een raadsel. Mijn kinderen deden dat ook niet.
Ja, het is erfelijk.
Ik was eens op te eten bij iemand die me risotto gaf uit een diep bord. Toen ik het op had, bleek er op de bodem ‘Pasta!’ geschilderd.
Ik was op slag misselijk.
Het is een ziekte.
Maar goed, dit allemaal ter inleiding en verklaring van de onnoemelijke prestatie ik momenteel lever. Ik zit dit namelijk te typen in een café genaamd ‘Koffie & ik’.
Eh…
Ze hebben ook thee. Een paar soorten zelfs.
Sappen, dito.
En een ruim assortiment etenswaren.
Ik bedwing nu de neiging daar een opsomming van te geven. Mijn punt is zo ook wel duidelijk hoop ik. De helft ervan tenminste. De andere helft gaat over mij. Ik bedoel ‘ik’.
Die van de ‘Koffie & ik’.
Eh…
Er zijn hier ook andere mensen. Ik ben niet alleen. Naast mij zit een vrouw.
Zij.
‘Koffie en zij’. Of nee, ‘Zij en koffie’, dat klinkt beter. Niet dat het uitmaakt. Overal staat al ‘Koffie en ik’ op.
Ze drinkt trouwens thee. Net als ik. Oolong uit een fijn potje en een nog fijner oorloos kopje van haast doorzichtig wit fine bone china het kan niet mooier.
Geluk bestaat.
Ware het niet voor die naam.
Die naam is gedoe.
Waarom?
Nou, dat lijkt me duidelijk. Die vrouw en ik zijn ‘wij’, of we nou willen of niet.
Dus: ‘Thee en wij’.
Hm.
Als ze nou maar niets anders besteld. Of vertrekt.
Denk ik dan.
Dat doet ze niet. Nee , ze kijkt naar de man die binnenkomt.
Nee! Een andere ‘wij’!
De man wil geen thee. Zul je net zien. Hij wil appelsap.
Dus: ‘Appelsap en thee en wij’. Of ‘Appelsap en thee en hij en wij’. Nee, ‘Hij en appelsap en thee en wij’.
Hij neemt een slok, staat op en vraagt er een ‘tosti met kaas, chorizo en chutney’ bij.
Aaah!
Thee en wij en appelsap en een tosti met kaas, chorizo en chutney en hij.
Of… eh…
Nee!
Dit wordt natuurlijk niks. Ik kan alles wel op een leuk klinkend rijtje zetten, maar voor ik klaar ben heeft die vrouw straks ook haar tanden in iets te eten gezet om alles weer in het honderd te gooien. Ze pakt de kaart al. En dan heb ik het nog niet eens over het jonge gezin dat stiekem is binnengekomen terwijl ik nadenk en onverhoeds naast de speelhoek is gaan zitten. Hun kind schreeuwt meteen om een croissantje.
Ik heb veel zin om ze weg te sturen.
Dan zie ik opeens een matrix. Dat gebeurt me vaker. Ik ben een zenuwlijder, weet u nog? Ik houd van orde. En andersom: ik word gek van wanorde. Nou ja, dat is overdreven, rotzooi kan ik wel hebben maar dan alleen als het volslagen onlogische rotzooi is. Chaos in de wiskundige zin van het woord. Ik hoor liever onvoorspelbare ruis en geknetter dan een zender die telkens verdwijnt of aan het kraken slaat. Chaos die net geen chaos is en waar telkens een soort patroon in schemert, die is om wild van te worden.
Vind ik.
De oplossing voor de veel wanorde is vaak een matrix. Orde scheppen. Zoals in het geval van mijn lievelingscafé ‘Koffie & ik’. Ik ga voorstellen om die naam op te heffen en te vervangen door een matrix. In de linkerste kolom de items van de menukaart, in de bovenste regel: ‘ik, jij, zij (enkelvoud), hij, wij, jullie, zij (meervoud)’. Iedereen die binnenkomt, vult in wat voor hem/haar/hen geldt. Gewoon een ‘X’ zetten in de cel op de kruising van de kolom en rij die van toepassing zijn. Iedereen mag zelf kiezen welke dat zijn.
Hoe makkelijk is dat?!
Ja, het is even opletten, maar dan klopt het tenminste allemaal.
En het hypermoderne gevolg is dat het café telkens van naam verwisselt of meerdere namen tegelijk heeft, afhankelijk van wie er wanneer en waar, wat eet of drinkt. De netwerksamenleving in levende lijve!
Ik ga meteen aan de slag om de actuele situatie vast te leggen. Bij wijze van experiment.
Dat is nog een heel gepuzzel.
Excel werkt ook niet mee. Of nou ja, ik ben daar niet zo goed in, geloof ik.
Het leven van een zenuwlijder gaat niet over rozen. Dat is een soort pleonasme (goed om te weten zeg!).
Ik ook altijd. Het zweet breekt me uit terwijl ik alles probeer bij te houden en excel gewoon doet wat hem het beste lijkt. Die netwerksamenleving is niks voor mij. Ik wordt heel droevig.
Dan komt een van de vrouwen van ‘Koffie & ik’ naar me toe met een bordje en op dat bordje ligt een boterham met chocoladepasta.
‘Ik weet niet waarom, maar je keek alsof je dat wel kon gebruiken,’ zegt ze.
Het is waar. Ik neem verslagen een hap. ‘Hoe smaakt-ie?’
Ik slik en knik en zeg: ‘Geen spóór van tomatensoep’.
Geluk bestaat.
