In de trein zat een vrouw te telefoneren over de rouwplechtigheid voor haar overleden moeder.
Hm.
Ze was de grafredes aan het regelen en probeerde een spreker te strikken om reserve te zijn voor een andere spreker. Die laatste kon ze namelijk niet bereiken omdat hij, dat had ze had van zijn compagnon vernomen, op reis was naar een land in Afrika, alwaar hij een veertiendaagse training annex studiereis rondom oude verhalenvertellers probeerde op te zetten.
Storytelling. Dat was heel hip. Ze had het opgezocht.
‘Is Ubuntu eigenlijk wel een land in Afrika?’ vroeg ze zonder op een antwoord te wachten. Het was hoe dan ook zeer de vraag of hij terug zou zijn vóór de teraardebestelling, want, nou ja, die verhalenvertellers had hij natuurlijk niet zomaar gevonden, dat had ze al lang begrepen, en dan moesten die ook nog bereid gevonden worden hun verhalenvertelkunst aan blanke Nederlanders over te dragen.
Of zoiets.
God mocht weten wat daar allemaal bij kwam kijken.
Het was niet haar idee, dat was duidelijk.
Ze zweeg even en vatte daarna alles in één zin samen: moeder dood, spreker één onbereikbaar, spreker twee ook goed. Ze bracht het wel iets genuanceerder, maar veel anders was het niet.
Geen wonder dat ze dat verhalen vertellen niks vond… als je van je moeder verliezen een elevatorpitch kunt maken.
Als ik de reserveman was, zou ik nog eens over haar verzoek nadenken. Daar had ze op gerekend.
‘U wist altijd zo beeldend en met gevoel over haar te vertellen,’ vleidde ze hem. Ze gaf een voorbeeld. Niet zomaar een voorbeeld. Ze wilde graag precies dat de spreker dát voorbeeld nam.
Bij de kist.
Ze legde uit waarom en wist behendig zowel enkele positieve karaktertrekken van haar moeder te memoreren (opdat de man die niet vergeten zou), als de man te loven om zijn rake opmerkingsgave. Hij had het toch allemaal maar gezien. Dat haar moeder zo verpletterend meelevend was, dus.
Tot aan haar laatste adem, trouwens. Ze hadden allemaal rond haar sterfbed gestaan, al haar dierbaren, en hoewel ze ontzaglijk veel pijn moest hebben gehad, en ook heel erg bang voor de dood was geweest, had ze niet gerust voordat ze iedereen op het hart had gedrukt geen verdriet te hebben om haar verscheiden. Want dat ze verder moesten met hun leven .
Zo was ze. Cijferde zich altijd weg voor een ander.
‘Dus dat wil ik er zeker in,’ besloot ze. ‘Dat altuïsme van haar.’
Het was niet erfelijk.
Wat de man daarvan vond, bleef onduidelijk. De vrouw was af en toe wel even stil, maar zo te horen niet om te luisteren, alleen om adem te halen voor nieuwe details over de laatste uren, en daarna de laatste jaren, en daarna het leven van haar moeder.
En ik luisterde daarnaar.
Of ik wilde of niet.
Maar ja, je kunt moeilijk een vreemde vragen om een verhaal te af te breken waarvan ze om de anderhalve zin zegt dat het haar nog steeds ‘emotioneel erg aangrijpt’.
Mijn stelling over gevoelens is dat zodra je zegt dat je ze hebt, je ze kwijt bent. Ja, ik weet heus wel dat emoties verwerken heel persoonlijk is, en dus dat dit een boude stelling is, zeker omdat ik verder van die vrouw d’r innerlijk niets weet…
Nou ja, ik weet dat het dus haar innerlijk is.
Háár innerlijk.
Ínnérlijk.
‘Vooral de ongelooflijke intimiteit van dat laatste moment zal ik altijd blijven koesteren,’ zei ze.
Ze was nog nooit zo dicht bij haar moeder geweest.
Ik ook niet.
Maar ja, ík kende haar moeder net. Díé vrouw was haar dochter.
Ook niet iets om haar op te wijzen. Ofschoon ik wel steeds meer zin kreeg om haar op een of andere manier het zwijgen op te leggen. Delen is heel erg modern en waar je tegenwoordig maar komt in de wereld kun je de hele godvergeten rest ervan mee laten leven, dus deze onontkoombare openhartigheid was misschien wel heel erg eigentijds, maar ik vond het het een gemoedsvariant van niezen zonder hand voor je mond. Ik had voortdurend de neiging om spetters van mijn gezicht te vegen.
Ze was intussen overgegaan op het programma van de afscheidsplechtigheid. Of, nou ja, plechtigheid, dat moest het zeker niet worden, want zo was haar moeder ook nooit geweest.
Plechtig.
Gewoon was al gek genoeg.
Dus alles bleef heel eenvoudig, gewoon een paar sprekers, en achteraf wat drinken met elkaar. Een goed glas wijn op haar heffen met misschien wat te eten erbij.
Een stukje Franse kaas.
‘U heeft toch ook wel tijd om nog even te blijven als u gesproken heeft?’
‘…’
‘Hallo? Dominee?’ Ze keek naar haar stille mobieltje en fronste haar wenkbrauwen. ‘Zeker die tunnel,’ fluisterde ze tegen zichzelf.
Daar waren we een kwartier geleden doorgereden.
Ze tikte een paar keer op het scherm en hield het ding weer tegen haar oor. ’Moet ik verdomme dat hele verhaal opnieuw vertellen.’
Wat ze niet deed. Niet meteen.
Terwijl ze wachtte, staarde ze naar buiten en toen de dominee opnam, zei ze dat hij niet meer nodig was.
‘Ik ga zelf wat zeggen.’
