De vrouw van de krantenkiosk sprak om met Carmiggelt te spreken (ik ga niet uitleggen wie dat is) een verwoestend soort Utrechts dat niet alleen door merg en been ging, maar ook iedereen in de winkel bang maakte, mij tenminste wel. De gezichtsuitdrukkingenen die zij er voor de halve verstaanders gratis bijgaf maakten het er niet veel beter op. Angstaanjagende blik in haar ogen had ze.
De oude gebogen Antilliaan voor mij trok zich er niet veel van aan. ‘Hetzelfde recept,’ mompelde hij.
Bedeesd, maar vastberaden. Hij kende de vrouw, denk ik.
Ze keek hem aan. ‘Je wil de lotto spelen?’ Het klonk alsof ze vond dat hij er nooit veel van bakte.
‘Ja, net als altijd.’
‘Het is morgen superzaterdag, dus dubbele trekking. Wil je dat ook?’ Hij knikte.
‘Dat is ook twee keer zo dúúr!’
Hij knikte weer. ‘Ja, ik wil twee keer.’
‘En ga je weer zelf de nummers kiezen?’ Nu was wel duidelijk ze hem een hele belabberde lottospeler vond.
Lotto spelen leek me geen vaardigheid waar waar je goed of slecht in kon zijn, maar bij gokkers ligt dat anders. Ik heb eens in dezelfde winkel een klant zijn beklag horen doen over de ‘kutloten’ die hem de week daarvoor verkocht waren. Daar was namelijk helemaal niks op gevallen!
Niks!
Voor de zoveelste keer! Hij dacht erover om elders zijn loten te gaan kopen.
Een nogal bizar verwijt en een even bizar dreigement, maar nog bizarder waren de verontschuldingen van de verkoper, die beterschap beloofde.
De mens is een raadsel.
En een hele slechte statisticus.
Terug naar de Antilliaan. Hij wachtte geduldig tot de vrouw op de kassa een paar toetsen had ingedrukt.
‘Ja, zeg het maar,’ riep ze.
De man noemde zijn nummers. Hij dacht er telkens zo lang over na dat hij na de vierde niet meer wist hoeveel hij er nog moest.
‘Twee,’ zuchtte de vrouw en toen hij na de laatste bleef staan peinzen, vroeg ze luid en langzaam of hij zeker wist dat dit ze waren. Ze declameerde het hele rijtje nog eens en de man zei dat het goed was. Daarna moest hij een kleur noemen. Hij keek vertwijfeld rond en kwam uiteindelijk bij zijn schoenen uit.
‘Bruin!’
De vrouw schudde haar hoofd. Dat was kennelijk een hele domme kleur. ‘En dit hele setje dus twee keer,’ herinnerde ze hem.
‘Nee, wel twee keer, maar andere nummers.’
‘Je zei dubbele trekking! Het is superzaterdag!’
Er ontstond een discussie over het verschil tussen twee loten met andere cijfers en hetzelfde lot twee keer en welke variant de meeste kans op zou leveren. Ze kwamen er niet uit. En ik besloot me er niet mee te bemoeien, want ik kansberekening, daar waag ik me niet aan. De mens is een slechte statisticus.
Ik zeg niet zomaar wat. Er is veel onderzoek naar gedaan. Ook naar lottospelers en andere gokkers. Die doen maar wat. Dat ligt eigenlijk ook in de hele bezigheid besloten.
Gokken is, ja, gokken.
Ze zien dat zelf dus anders. Ze hebben hele uitgesproken oordelen over kansen. Waarom denkt u dat ze zelf hun nummer en kleur willen kiezen? Omdat ze er verstand van hebben! Ik koop zelf ook wel eens een lot en niet zelden krijg ik dan tips voor een eindnummer. ‘Je moet geen zeven nemen, want daar is vorige week al veel op gevallen,’ dat soort goede raad.
Hm.
De Antilliaan lachte: ‘ik denk dat we hier een geval van miscommunicatie hebben.’
‘Ja, dat denk ik ook,’ beaamde de vrouw. De hele winkel lachte. De vrouw keek ons aan. Als blikken konden doden, zouden we vandaag allemaal in de krant hebben gestaan, als slachtoffer van een geheimzinnige aanslag.
Maar ze dacht na en lachte toen ook. ‘Vergissen is menselijk,’ zei ze. ‘ik annuleer alles gewoon en we beginnen opnieuw.’
De Antilliiaan knikte blij. En de rest van de winkel ook, ook al moesten we nu alles weer meemaken.
Twee keer.
Altijd nog beter dan tussen de sigaren en Linda’s het leven laten.
