Rood

dont-look-now-reflection-1

De verpleegster heette Gladys en ze was erg mooi. Maar ze duwde mij ook in een knalrode rolstoel door het half verlaten ziekenhuis, waardoor schoonheid opeens een aspect van het leven was waar ik niet lang bij stilstond.
Alhoewel. Het troostte me wel.
We reden langs de glazen wand van een schemerige binnentuin. Donker en zwijgend struikgewas achter dertig vierkante meter plotselinge spiegel.
‘Kijk daar gaan we,’ zei Gladys.
Witte man, zwarte vrouw, rode rolstoel.
‘Zo heeft u zichzelf waarschijnlijk nog nooit gezien?’
Nee.
My first wheelchair.
Hij was verplicht. En dus absurd. Wie een ziekenhuis binnenstapt moet ziek doen. Voor zich laten zorgen.
Kan ik niet. Maar ja, ik kan zoveel niet.
Twee uur daarvoor was ik tegen een auto opgeknald, door de lucht gevlogen (vermoedde ik), had ik mijn racefiets uit een berm vol brandnetels getrokken, adresgegevens uitgewisseld met de automobilist, samen met een voorbijganger alles wat krom was aan mijn fiets weer recht gebogen, mijn door elkaar geschudde gedachten en herinneringen bij elkaar geveegd, en ten slotte dertig kilometer terug naar Utrecht gefietst (in minder dan één uur, wind mee).
Thuisgekomen dacht ik, toch maar even checken of alles goed is. Lang leve de techniek, mobieltje op selfiestand naar de achterkant van mijn oor laten kijken terwijl ik voor de spiegel stond; schilderij van Margritte, of zoiets, inclusief Droste-effect: diepe snee.
Bloed.
Knalrood.
Daarna gedoucht, naar het ziekenhuis gefietst (andere fiets), verhaal verteld (3x), en twijfel gezaaid, want was ik nou buiten bewustzijn geweest of niet?
Ja, in de lucht.
Dacht ik.
Wist ik niet meer.
Hm.
Naar de neuroloog.
In een rolstoel, want verplicht.
Absurd.
Knalrood.
Ik zag ‘Don’t look now’; de hele film in een paar seconden. In iedere scène tergende dreiging van datzelfde rood. Meteen in de eerste minuut te beginnen met het regenjasje van een verdronken kind.
Kwam niet meer goed, dat had ik aan alles gevoeld. Toch uitgekeken.
Had ik niet moeten doen, dacht ik, veertig jaar later, in de rolstoel.
Opeens dreiging alom.
Gladys glimlachte naar me via de spiegelwand.
Troost.
‘Sorry,’ zei ze. ‘We willen niet dat u valt.’
‘Ik ben al gevallen. En door de lucht gevlogen en opgestaan, en…’
‘We weten nog niet of u iets heeft. Vandaar.’
‘…’
‘Die rolstoel.’
Ik glimlachte terug.
Berustte.
Ziek zijn ís absurd.
Wat de neuroloog per se nog eens wilde bewijzen. Hij gebood me uit de rolstoel en liet me op mijn blote voeten over een denkbeeldige lijn lopen, op m’n hakken, op m’n tenen, terwijl hij ernaar keek alsof hij bang was dat het verkeerd zou gaan maar niet wist wat verkeerd was.
‘Kunt u uw ogen sluiten en met uw linkerhand uw neus aanraken?’ vroeg hij. Dat kon ik. Ook met mijn rechterhand. Toen ik mijn ogen opende, lachte Gladys me weer toe.
‘We gaan een scan maken.’
Van mijn hoofd.
‘En daarna ga ik een chirurg zoeken.’
Voor mijn oor.
Hechtingen! Alle plekken op mijn lijf waar ik ooit met naald en draad behandeld was, begonnen te steken alsof het gisteren gebeurd was.
Gladys las mijn gedachten en liet haar blik langs mijn herinneringen gaan. Ze bekeek mijn oor.
‘Misschien kunnen ze het plakken.’
Troost was haar reden van bestaan.
Niet waar natuurlijk, maar wel een mooie gedachte. Die hield ik vast tot ze me ten slotte kwam vertellen dat ik weg mocht. Alles was goed, op één ding na.
‘Woont u alleen?’
Ik knikte eerst ferm en daarna zielig, maar dat hielp allemaal niet, want in mijn uppie de nacht in, dat mocht niet. Punt.
Tot zover de troost.
Streng.
Iemand moest mij om de twee uur wekken en checken of ik nog wel bij mijn verstand was.
Dat kwam mijn dochter doen. Om half een verscheen ze de eerste keer slaperig naast mijn bed, om te vragen wie zij was.
Dat wist ik heus wel.
‘Gelukkig heb je nooit een rood regenjasje gehad,’ hoorde ik mijzelf zeggen.
Ze glimlachte.
‘En wie ben jij?’ vroeg ze.
‘René… René Magritte.’
Toen belde ze voor de zekerheid toch maar even de dokter.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.