Noa

Hill

Vanmorgen om kwart over vijf fietste er een vrouw door de straat die om de drie vier tellen zangerig ‘Noa!’ riep.
Zoals je een kind roept dat zich verstopt heeft. Zogenaamd in paniek. Of, nee, het klonk wel iets échter, zoals je een poes lokt.
Langgerekte ‘o’, korte ‘a’.
Meer een ‘ah’, eigenlijk.
‘Noooah…’
Die puntjes horen erbij.
Sirene zonder overtuiging. Mooi gezongen, maar tegen beter weten in.
Verwarrend allemaal.
’s Morgens om kwart over vijf.
Niet iets om monter de dag mee te beginnen. Daar ben ik toch al niet zo goed in, monter de dag beginnen.
Überhaupt, de dag beginnen, monter of niet, niks voor mij. Als ik moet kiezen tussen slapen en waken, neem ik het laatste, maar dan alleen omdat slapen echt zonde van je tijd is, niet omdat wakker zijn zo leuk is. Of nou ja, wakker wórden, dat is gedoe. Het eerste kwartier van de dag, dat is ploeteren, daarna gaat het wel, maar de angst dat ik die vijftien minuten niet doorkom, is vreselijk.
En dat dan iedere dag.
Het is een ziekte.
De remedie is toch niet anders dan de dag maar beginnen. Bij de minste of geringste aankondiging van dageraad met een soort doodsverachting zonder dralen aan de slag.
Aan de slag, dat is denken. Dat gaat gelukkig vanzelf. Mijn hoofd doet doet dat.
Toen de vrouw langsfietste ook. Ik luisterde naar de vergeefse Noa’s, hoorde hoe ze een voor een wegstierven terwijl de vrouw de straat uitfietste, en ergens in mijn verstand kwam een voorstelling van haar te voorschijn.
Om een of andere reden leek ze op de vrouw die ik eens had gezegd dat ik het blauw van haar jurk prachtig vond kleuren bij haar ogen. Of nee, ik had alleen gezegd dat ik die kleur mooi vond.
Yves Klein-blauw. Ik heb ooit een van zijn sponzen in het echt gezien en alle besef van moraal verloren terwijl ik bedacht wat ik zou moeten doen en/of laten om het werk bij mij op het dressoir te krijgen; gewetenloze delicten, alles voor schoonheid.
Hoewel ze me in haar ogen liet kijken alsof ze wist wat ik niet had durven zeggen, en hoewel ik toen bloosde, en hoewel we toen lachten, heb ik haar daarna nooit meer gezien.
Tot ze opeens door mijn straat fietste.
In mijn gedachten dan.
Ik wist niet eens of ze bij mij in de buurt woonde.
Ik wist niet eens of ze wel een kat had.
Wist niet eens of Noa een kat was.
Moest haast wel. Ik kon me geen ander dier voorstellen dat je Noa zou noemen. Een hond? Nee, een hond genaamd Noa, dat is gewoon zielig. Dito voor parkiet, cavia, hamster, woestijnrat, slang, schildpad, eh… een paard, dat zou nog kunnen. Maar zo’n beest raak je niet zomaar kwijt, dunkt mij. En als je dat doet, vind je het zo weer terug.
Toch?
Ik had in ieder geval rechtop in bed gezeten als er een Friesche hengst door de straat had gedraafd.
Goed, dus Noa was een kat, en ze was zoek, maar hoezo gaat die vrouw dan ’s morgens om kwart over vijf op zoek? Ik bedoel, kan zoiets niet wachten tot de dag een beetje op streek is?
Kennelijk niet.
Wat alles nog droeviger maakte dan het al was.
Want radeloos.
Wanhopige sirene, dat kan eigenlijk niet.
Had ze de hele nacht gewacht tot Noa thuis zou komen? Zoals Joni Mitchell, waiting for a car on the hill?
Oh, hoeveel van die nachten heb ík niet gek van angst bij het raam doorgebracht. Verliefd zijn is mooi, maar de hele tijd overgeven en huilen als een kind… dat dan weer niet.
Misschien had ik beter als de vrouw kunnen doen. Op mijn fiets door de straten rijden om de naam van mijn geliefde te zingen. Dat was tenminste iets.
Nutteloos maar romantischer.
Dus eh… misschien was Noa wel gewoon de vrouw van die vrouw?
Ja! Ik zag haar meteen voor mij. Zo genadeloos lief en mooi dat een mens er alles voor over zou hebben om van haar te mogen houden.
Gewetenloze delicten.
Terwijl ze zelf niet besefte waarom. Zulke vrouwen bestaan (mannen ook, Ramses Shaffy bijvoorbeeld, heb ik eens gelezen). Geen flauw benul van de liefde die ze oproepen. Laat staan van het bijbehorende verdriet.
Wedden dat die Noa doodgemoedereerd ergens een laatste sigaret van een nacht doorhalen zat te roken en onthecht van het alledaagse bestaan op de zonsopgang wachtte terwijl ze ergens in de verte haar naam tussen de huizen hoorde kaatsen?
En wedden dat ze dacht dat iemand een kat riep?
‘Duh! Om half zes. Hoe bizar is dat?’ fluisterde ze tegen zichzelf.
Ik draaide me op mijn zij en keek op mijn wekker.
Ja, verdomd, half zes.
Yes!

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.