Toeval bestaat niet, zeggen ze wel eens, maar dat kan natuurlijk niet. Waarom is er dan een woord voor? Ja, oude filosofische kwestie, iets kan ook bestaan als er geen woord voor is, maar andersom vind ik lastiger. Als er een woord is, moet er ook een ding zijn dat er bijhoort..
Dat toeval niet bestaat zeggen de mensen alleen maar omdat ze per se ergens iets achter willen zoeken. Hogere machten. Kharma. Lotsbestemming.
Dat soort dingen.
Moet er niet aan denken.
Dus toeval bestaat.
Ik zeg het maar even.
Zo ook het toeval waar ik in terechtkwam. Niks geen geheime agenda van de kosmos.
Maar goed ook, want ik ben al neurotisch genoeg. Argwaan erbij, dat zou me langzaam opvreten van binnen.
Goed, ik ging naar een congres ter meerdere eer en glorie en uitleg van een convenant. Ik ga niet uitleggen waar dat over ging. Of nou ja, over samenwerking. Onderwerp en partijen doen er niet toe. Of nou ja, het speelde zich in en om de strafrechtsketen af. Moet ik uitleggen wat dat is?
Eh, heb ik geen zin in.
Maar weet wel dat het werk van die keten zich steeds vaker afspeelt aan tafels. Letterlijk en figuurlijk. In dat laatste geval is tafel een ander woordt voor overleg. Je zit aan een tafel en je neemt er aan deel. Bizarre taal, maar het bestaat.
Hoe dan ook, tafels.
Onthou dat woord.
En samenwerking. Onthou dat ook. Dat is in de wereld van beleid (mijn werk) eigenlijk een ander woord voor proces. Wie doet wat wanneer met wie, en vooral, wie informeert wie. En daar dan gedoe over. Gehannes met taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden.
Dat leg ik écht niet uit.
Want dat deed de vrouw van het café waar ik een dubbele espresso wilde bestellen. Illustreerde ze, eigenlijk. Dat wist ze zelf niet en dat heb ik haar ook niet verteld.
Het leven is al ingewikkeld genoeg.
Eh…
Deze inleiding is te lang.
Ik stapte binnen en vroeg om een dubbele espresso om mee te nemen.
‘Dan moet u bij het buitenloket zijn.’ Ze wees waar het was. Anderhalve meter verderop, achter een muurtje dat net te hoog was om over heen te klimmen zonder jezelf belachelijk te maken.
Ik weer naar buiten, over het terras, naar het buitenloket. Onderweg ontdekte ik verderop een collega die daar naar de lege stoelen keek om er een uit te kiezen.
‘Ik hoef niks. Wacht hier wel!’ riep ze.
De vrouw van het café had zich inmiddels negentig graden gedraaid om me nog eens te vragen wat ik wilde hebben, maar dan aan het buitenloket.
‘Een dubbele espresso om mee te nemen.’
Ik moest aan mijn zus denken, die als ze winkeltje wilde spelen me ook altijd dingen liet vragen die nogal wiedus en daarom absurd waren, namelijk de dingen die ze in haar winkeltje had, als ik iets anders vroeg werd ze boos. Leuke metafoor over aanbod gericht werken, maar daar gaat deze blog nu niet over.
Wat ik bij destijds mijn zus deed, kon ik nu ook.
Meespelen.
Terwijl ik wachtte verscheen er achter mij een andere vrouw van het café, die vroeg: ‘Hoort u bij die mevrouw?’ Mijn collega zwaaide me vrolijk toe. Ik knikte. ‘Gaat u ook bij haar zitten?’
‘Nee.’
‘Oh. Ze zei dat ze op u wachtte.’
‘Dat is wat anders.’
‘Ja, eh, maar als u bij haar gaat zitten, moet u bij mij bestellen.’ Ik keek haar glazig aan. ‘Want ik doe het terras.’
Ah.
‘Ik neem mijn dubbele espresso mee,’ verklaarde ik, ‘maar naar de overkant.’ Ik gebaarde naar het zalencentrum aldaar.
De vrouw van het terras knikte.
Argwanend.
(Ik zag nu ook opeens de ijswinkels van Australian voor me. Daar moet je bij de eerste grote puber je bestelling doen om een briefje te krijgen dat je aan de tweede grote puber geeft om je ijsje te krijgen, waarna je bij een derde grote puber met een inmiddels bestempeld briefje moet afrekenen; als een van de drie ziek wordt, doen ze in paniek de winkel op slot).
In het zalencentrum, luisterden we naar sprekers, bestudeerden we schema’s met vierkantjes en wiebertjes en pijlen, en keken we naar de plechtige ondertekening van het convenant (het moet gebeuren en zo’n moment moet in de krant, dat snap ik allemaal ook wel, maar het is een zot toneelstukje, drie volwassen mensen die hun poot op een papier zetten), om ten slotte na de pauze met elkaar in discussie te gaan.
‘Aan de hand van stellingen.’
Die ga ik hier niet citeren.
Omdat ik ze vergeten ben.
Want de organisatie van het congres had bedacht dat we de discussie gewoon in de zaal moesten voeren, niet met z’n allen tegelijk, maar in groepjes aan tafels.
Tafels!
Zoiets verzin je niet.
Zij wel.
Maar de volstrekt onnavolgbare kakafonie die erbij hoorde waarschijnlijk niet.
Laat staan het toeval.
Dat bestond gewoon.
