Feest

scotty
Toen ik vijf werd, was ik ziek. Mijn moeder had geregeld dat mijn vriendjes na school rond een uur of vier langs zouden komen om mijn verjaardag te vieren. Ik weet niet meer of zij nu echt een feestje op het oog had gehad, met spelletjes en zo, of alleen maar wat bijeenzitten met snoep en ranja als een soort uitgebreid ziekenbezoek, maar toen de vriendjes gearriveerd waren, bleek al snel dat wat er ook gepland was, zij eigenlijk alleen maar kwamen vertellen dat ze niet konden blijven omdat zij voor school iets moesten doen. Aan de manier waarop zij de woorden hakkelden, hoorde ik meteen dat zij logen. Ze hadden gewoon geen zin, waarschijnlijk omdat ze onderweg op iets veel interessanters waren gestoten (een dood beest in de berm van de weg, of een gat in de omheining van de nieuwbouw, een pak kranten waar de fik in kon). Ik kon het allemaal in hun schichtige blikken zien.
Dan niet, dacht ik.
Straalde ik uit, om het eens modern te zeggen.
Maar van afgelasten wilde mijn moeder niets weten. Met als gevolg dat ik ten overstaan van de jongens moest meemaken hoe zij mijn zaak bij hen ging bepleiten, onder andere door voorbeelden te beschrijven waaruit zij moesten begrijpen dat ik mij enorm op hun komst verheugd had.
Dat ik haar om het kwartier had gevraagd of het al vier uur was.
En de rest van de dag voor het raam had gestaan om te zien of zij er al aankwamen.
Mijn vriendjes hoorden het gelaten aan. Ik zag ze denken aan het avontuur dat zij hadden uitgesteld. Voor je het wist had een ander dat dode beest gevonden, het gat in het hek ontdekt, de kranten in de hens gestoken.
Toch kreeg ik door de hele situatie wel enorm medelijden met mijzelf. De onverzettelijke tegenzin van mijn vriendjes gecombineerd met de groeiende wanhoop van mijn moeder (die stukje bij beetje in paniek raakte omdat ze geen steek verder kwam met haar op het gevoel van de jongens gerichte verhalen) veroorzaakte dat ik in mijzelf gekeerd naar de grond staarde in een verwoede poging om zo mijzelf en de rest van de wereld te laten verdwijnen (ik wist zeker dat zoiets moest kunnen, god mag weten hoe ik daar bij kwam – het was meer een soort hoop, geloof ik – maar ik denk het nog wel eens en probeer het dan weer, tegen beter weten in, wat voor omstanders vaak een ongemakkelijke situatie oplevert, en voor mij gevaarlijke, want soms willen ze me naar de eerste hulp of de crisisopvang brengen).
Dat lukte (en lukt) natuurlijk niet. Sterker nog, in plaats van dat ik en met mij alles en iedereen verdween, trad ik buiten mijzelf en zag ik mijzelf daar staan, in mijn pyjama en kamerjasje, met mijn sloffen op het linoleum van de gang (ook geen uitrusting waarin je je vriendjes wilt ontmoeten, trouwens), koortsig tegenover mijn onwillige visite, terwijl de hoge stem van mijn moeder als een gummibal door de ruimte stuiterde.
Tja.
Even voor alle duidelijkheid, dit is geen verhaal om een jeugdtrauma te verwerken en en passant mijn moeder een veeg uit de pan te geven. Zij handelde geheel en al uit liefde, dat begrijp ik ook wel.
Toen niet.
Da’s trouwens een algemene eigenschap van liefde, denk ik, dat je die zelden op het moment zelf ziet.
Goh, da’s ook sneu.
Nu ik toch bezig ben, nog zoiets: ik voelde mij toen voor het eerst in mijn leven helemaal alleen in het bijzijn van anderen, maar dat zoiets kon, begreep ik op dat moment ook nog niet.
Gelukkig maar, want alles bij elkaar was het al een verjaardag van niets, daar hoefde zo’n besef niet ook nog eens bij.
Goed. Tot zover de droevigheden.
Uiteindelijk hebben we bij wijze van compromis staande in de gang het snoep naar binnen gepropt alsof het een straf was en de limonade opgedronken als mannen met bier aan de zijlijn van een voetbalveld. Of nee, aan de rand van een graf, eigenlijk, maar zoiets komt natuurlijk niet vaak voor, dus is niet zo’n geschikte beeldspraak, hoewel ik het wel eens heb meegemaakt, een drinkgelag bij iemands kuil, nota bene van een man die aan de drank gestorven was.
Eh… ik wil maar zeggen dat de stemming bedrukt was.
Als ik door een of ander geheimzinnige plooi in de tijd had geweten wie Scotty was-schuine-streep-zou-zijn, had ik hem aangeroepen.
Toen de jongens waren vertrokken, gaf ik over.
Dat was vreemd genoeg het leukste van de hele dag.
Een opluchting.
Wat verklaart waarom ik sindsdien op al mijn verjaardagen steevast ontwaak met de troostrijke herinnering aan het heldere gespetter van oranje braaksel (spekkies en limonade) op het koningsblauwe zeil van ons halletje.
Geluk zit in kleine dingen.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.