Het syndroom van Brompton

zouaaf1

Tegenwoordig ben ik een forens. Toen ik als kind voor het eerst dat woord hoorde, leek me dat geweldig. Een forens zijn, dus.
Mooi woord, toverachtig fenomeen.
Later (toen ik groot was geworden) had ik hetzelfde met zouaaf. Ook zo lekker geheimzinnig.
Stond me wel aan.
Zouaaf zijn.
Zouaaf?
Hoezo dat?
In het graf naast dat van mijn vader ligt de laatste Pauselijke Zouaaf van Nederland begraven. Ja, dat staat op zijn zerk (van die zouaaf): “hier ligt de laatste Nederlandse Pauselijke Zouaaf”.
Met hoofdletters.
Dus het is niet zomaar wat, dacht ik meteen.
Mysterieus én belangrijk. Wat wil een mens nog meer?
Al meteen de eerste keer dat ik mijn vader bezocht om hem te vertellen hoe het met me ging (dat deed ik vanzelf toen ik voor hem stond en ik kan wel zeggen dat het toen niet zo goed ging, geen wonder, want hij was net gestorven, nogal onverwacht bovendien, echt kut, een ander woord heb ik even niet) dwaalde mijn blik en gedachten af naar die zouaaf. Ik zag een kruising tussen de vaandeldrager van een blaaskapel en Zwarte Piet. En ik zag mooie ceremoniële handelingen.
Vraag me niet waarom.
Allemaal oneerbiedig misschien, maar hij zou het wel begrepen hebben.
Mijn vader, bedoel ik.
Begrip was zijn middle name.
Ik liet die zouaaf tenslotte voor wat hij was, want alles wat ik over hem te weten kwam, zou iets van zijn magie wegnemen. Zoals in de loop van mijn leven al het wonderlijke uit ‘forens’ verdwenen was.
Want een forens is gewoon iemand die heen en weer reist.
Met de trein
Een volle trein.
Vol met mensen.
Voor een amateur misantroop als ik ben, is dat niet goed, want hoe meer mensen, hoe misantropischer ik word.
Nog even en ik ben beroeps.
U wilt niet geloven wat me door de week allemaal overkomt op het spoor. Ik wil best een beetje geduld met de mensen hebben hoor, een hekel aan iedereen hebben gaat je ook niet in de houde kleren zitten, maar ze maken het mij wel moeilijk.
Zoals de vrouw met de parelmoerroze (en deels afgebladderde) nagellak op haar dikke teennagels die op haar te kleine peeptoes langs mij wankelde en me aanstootte, zodat ik mijn hoed liet vallen en ik er tussen de benen van medereizigers naar op zoek moest.
Of de heel luide en duidelijke zakenman die nogal directief met zijn secretaresse de notulen van een of andere vergadering doornam, woord voor woord en komma voor komma, om betweterig de ene na de andere zin in zijn telefoon te dicteren.
Eh… de volwassen man die met zijn grote-mensen-step (ja, zoiets bestaat) over mijn schoenen reed.
In de trein!
Een step!
Grow up! dacht ik.
Nee, schreeuwde ik.
Ja, niet echt.
In mijn hoofd.
Mijn arme hoofd.
Wat ik daar niet allemaal voor me hou om de lieve vrede te bewaren…
Jonge vrouwen die op een halve meter afstand van mij hun bakjes muesli bereiden. En dan zelfgenoegzaam naar binnen lepelen.
Triomfantelijk.
Ja, triomfantelijk!
God mag weten waarom.
Er zijn trouwens ook van dat soort mánnen. Die hebben dan geen muesli bij zich (want dat vinden ze niet stoer, denk ik) maar ruig gesneden boterhammen. En roestvrijstalen thermosflessen met erop geschroefde bekers. Koffie waar ze met volle teugen van genieten.
Neem dat letterlijk.
Of nou ja, genieten. Vorige week zat ik naast een welzijnswerker (tuiglederen schoudertas) die tussen Gouda en Den Haag zes volkoren sneeën met pindakaas wegwerkte. Da’s ook een gave hoor. Een luidruchtige. Maar hij hoorde zichzelf niet, denk ik, want hij bleef laatdunkend om zich heen kijken naar de stakkers die gewoon rustig niets zaten te doen.
Ben ik even efficiënt, zag je hem denken.
Net als de mensen met hun vouwfietsjes. Die lopen met die dingen rond alsof ze de uitvinding van de eeuw hebben gedaan.
Eh, niet om het een of ander, maar een fiets opvouwen om die dan in een trein mee te nemen… hoezo is dat de uitvinding van de eeuw?
Dat is het niet dus, al was het alleen maar omdat ze, als je niet oplet, de vuile vette ketting tegen je broek duwen. Ja, per ongeluk, dat zal heus wel, maar door hun monomane jubel om het technische vernuft dat ze meezeulen en in gangpaden neerzetten, komt er geen enkel kritisch signaal van omstanders bij hen binnen. Ze snappen werkelijk niet waarom je niet meejuicht.
Het syndroom van Brompton noem ik dat.
Ja, mobiliteit is een ziekte. Alles en iedereen de hele tijd onderweg, maar niet heus. Wel onderweg, maar niets achterlaten. Dan kan ik het ook.
Goed, een mens moet wel eens van A naar B, maar de charme daarvan is precies dat: eerst A, dan de weg naar B, en dan B.
Niet alles tegelijk! Efficiency is zonde van je tijd.
Ja, denk daar maar eens over na.
Of niet, ook goed, maar – ik richt me nu tot alle doorgewinterd doelmatige reizigers – anderen hoogmoedig uitlachen omdat ze thuis ontbijten en hun fiets in de stalling zetten, dat vind ik het andere uiterste.
Neem een voorbeeld aan mijn vader. Die begreep mij tenminste.
Begrijpt.
Tegenwoordige tijd.
Als hij niet uit de dood herrezen was om me vorige week vrijdag met lieve woorden uit het bagagerek van de 17.09 uit Den Haag te praten, zou ik daar nu nog van radeloosheid liggen beven als pasgeboren baby.
Ik had veel beter zouaaf kunnen worden.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.