
Ik zocht een leidingzoeker. Ja, iets zoeken wat iets zoekt. Leiding nota bene. Die man is helemaal de weg kwijt, hoor ik u denken.
Misschien.
Ik wilde een kapstok ophangen, maar dat durfde ik niet, want gaten in muren boren, dat is eng. Of laat ik voor mijzelf spreken, ík vind dat eng. Ik ben als de dood dat ik iets raak met mijn boor en rampen veroorzaak; de halve stad zonder licht, warm-waterfonteinen in de huiskamer, open verbindingen met de buren, dat soort dingen.
Ik ben een zenuwlijder, weet u nog? Ik zie overal beren op de weg. Maar goed, het leven gaat door en een mens moet wel eens iets ophangen.
Bang of niet.
Eigenlijk is het angst voor het onbekende.
Voor iets vreemds in de muur. Of achter de muur.
Ik ontwijk hier een enorme kans om uit te pakken met een metaforische les over muren en xenofobie. Laat ik dit zeggen: xenofobie los je niet op met een leidingzoeker.
Goed terug naar dat ding.
Prima woord, vind ik.
Leidingzoeker.
Ik ben in mijn carrière een paar keer leidinggévende geweest (ik gebruik dat woord alleen om het verschil met leidingzóéker uit te drukken, want eigenlijk is het een laf eufemisme voor baas of chef) en ik kan u vertellen, dat is eigenlijk de hele dag zoeken.
Twijfelen.
Nu ben ik dol op twijfel, maar je wordt er wel moe van. Iets zeker weten, dat heeft ook zijn voordelen.
Zoals rust.
Vandaar dat ik dat instrumentje zocht. Want het is dé hulp voor zenuwlijders die gaten moeten boren. Het kan zo vreemd niet zijn, wat er in of achter zo’n muur zit, of dat ding vindt het.
Gelukkig voelde de meneer van de ijzerwarenhandel met mij mee (Pijper in Utrecht, ga daar gewoon eens heen, ook als u niets nodig heeft, alle schroom voor techniek en de bijbehorende cultuur van mannen – ja, meestal mannen – die om hun professie voor zichzelf te houden geheimtaal praten, valt van je af als je daar binnenstapt want iedereen daar legt alles uit – de zaak is van een vrouw; ik ken geleerde chirurgen die veel van die mensen daar zouden kunnen leren).
Hij (de ijzerwarenman) was dan wel tussen de schroeven en pluggen opgegroeid, maar vond gaten boren ook een akelig avontuur. Telkens weer (wat ook een pachtig Nederlands lied van Willeke Alberti is, dat ze prompt in mijn hoofd begon te zingen, het gaat over liefde, of eigenlijk de herhaalde en vergeefse pogingen om iemand lief te hebben, wat in een ijzerwarenwinkel een beetje out of place is, maar ja, ik neuriede het al mee).
Nee, de man wist precies wat ik bedoelde (met boorangst, niet met liefdesverdriet, dat wist-ie misschien ook wel, maar daar hadden we het niet over) en trok resoluut een doos te voorschijn, die hij met het plastic venster naar boven op de toonbank legde. Hij liet me er even naar kijken.
Om eraan te wennen, denk ik.
Daarna vertelde hij me wat ik allemaal met het ding kon vinden. Leidingen dus (niet goed!), maar ook metaal (vlechtwerk in beton, niet goed!) en hout (balken achter gipsplaten, goed!).
Was alles maar zo eenvoudig in het leven. Liefde bijvoorbeeld (Willeke zong gewoon door). Een apparaat dat je met lichtjes laat zien wat je zoekt en wat je vermijden moet. Exit twijfel!
Ja, saai, maar ik zou er af en toe (nu ook, op weg naar het nog steeds onzekere einde van dit blog) meteen voor tekenen.
Ik naar huis, zes en dertig keer de batterijen op een andere manier in het apparaat gestopt (ja, dat kan niet, weet ik ook, toch deed ik het, want het ding gaf geen sjoege, geen piep of lampje, niks, tot ik eindelijk de minuscule plusjes en minnetjes op de metalen contactjes zag staan en gelukkig ook op de batterijen, want ik vergeet altijd wat op die dingen plus en min is) en toen tegen de muur gehouden. Vier keer horizontaal langs de muur bewogen, zoals in de gebruiksaanwijzing stond. Geen leiding, geen ijzeren vlechtwerk, niks.
Hm. Daar stond ik, alleen in mijn halletje, alle seinen op veilig, en toch weer twijfel.
Niks exit.
Eigenlijk ben ik daar dus helemaal niet dol op.
Twijfel, me reet.
Zo’n kapstok, wat heb je daar nou eigenlijk aan? Die jassen liggen toch prima op de bank? Daar zit ik toch nauwelijks op. En mijn hoeden, die komen juist mooi tot hun recht op de vensterbank, heel nonchalant en toch ook sjiek.
Ik legde mijn boor neer.
Hm…
Daar trapte ik niet in, oud en wijs genoeg om mijzelf te doorzien, ook al lijd ik aan hele erge cognitieve dissonantie. Ik haalde diep adem en sloot mijn ogen. En ik zag een scène uit Gravity (dat is een film) voor me. De hoofdpersoon zweeft ergens in het luchtledige en wil naar huis, maar ze weet echt niet meer hoe ze terug moet en geeft het op, trekt overal de stekkers uit, en gaat liggen wachten tot ze dood gaat. Dan droomt ze dat haar dode en ogenschijnlijk herrezen collega haar bezoekt, die zegt – ik parafraseer nu en vat samen – ‘ja geef maar op, lekker makkelijk. Dan ga je gewoon niet naar huis.’
Dat boren kreeg opeens reusachtige symbolische betekenis. Angst voor mijn angsten, dat was het eigenlijk. Ik kreeg de zenuwen van mijn eigen zenuwen.
Dat heb ik weer.
Télkens weer (“als een vlam omhoog, uit de oude as“, Willeke was terug).
‘Na, na, nana naa!’ jende m’n boor vanaf de grond. Dwars door Willekes hartverscheurende laatste regels heen. Ik greep het ding beet, boorde als een razende vier gaten in de muur en wachtte hyperventilerend op de rampen.
Niks.
Hoera!
Rust.
Op Willeke na dan, want die bleef maar zingen. lieve help, zo zeldzaam is echte liefde nou ook weer niet.
Toch?