
Goed, ik moet niet zo vroeg opstaan, want dan lig ik tenminste te slapen op het belachelijk vroege uur dat junks kennelijk uit stelen gaan. Maar ik was wakker, keek naar buiten en zag iemand in de auto van de overburen grasduinen. Eerst dacht ik nog dat het de buurman zelf was want het zag er allemaal nogal relaxed uit, maar toen herinnerde ik me dat hij van de overbuurvrouw gescheiden was en vond ik het bij nader inzien eigenlijk ook wel een rare tijd (04.45 uur!) om in het handschoenenkastje van je auto te gaan graven.
Maar ja, ik wilde niet te snel oordelen, want ik wordt zelf regelmatig midden in de nacht wakker om mij dan af te vragen waar ik mijn paspoort ook alweer gelaten heb, of die ene onverzonden liefdesbrief, het papiertje met mijn wachtwoord van dropbox, het bonnetje van de nieuwe stofzuiger, et cetera.
En die dingen ga ik dan zoeken.
Overal.
Dus eh… nou ja, misschien had de buurman dat ook.
Dacht ik.
Denken – dit soort denken, bedoel ik – is nogal nutteloos in urgente situaties als inbraken, snap ik heus wel, maar ja, ik ben een zenuwlijder, dat gaat maar door in mijn hoofd.
Het is een ziekte.
Toen ik eindelijk mijn mobieltje gevonden had, was de dief weg. Ik belde toch. De mevrouw van de 112 stelde mij vragen en zei: er rijdt nu een wagen aan.
Jargon! Ben ik dol op!
Wíé rijden ze aan? wilde ik vragen, maar dat leek me net even te bijdehand, zeker met een vers misdrijf voor mijn neus waar ik niet veel aan had weten te doen.
Vijf minuten later tufte er een politieauto door de straat, twee minuten later dezelfde nog eens (vanaf de andere kant), en weer twee minuten later stopte hij bij de auto van de overburen. Dat lijkt knullig voor een buitenstaander (dat was inderdaad precies wat ik dacht: knullig) maar dat was het natuurlijk niet. Ze waren vast en zeker eerst gaan rondrijden (vervolg op aanrijden) om te kijken of ze de dader elders zouden kunnen betrappen.
Bedacht ik toen de agenten uitstapten. Ze keken nog eens rond, zagen mij voor het raam staan en wenkten me.
Een van de twee had al voor mijn deur postgevat om mij vragen te stellen. Hij pakte een aller schattigst notitieboekje om mijn antwoorden in op te schrijven.
Toen moest ik aan de kroeg denken waar ik laatst een een kopje thee had besteld, wat de bediening stantepede in haar mobile device had ingevoerd, waarna ze het achter de toog al waren gaan het zetten terwijl ik nog over de smaak aan het twijfelen was.
De moderne tijd is niet voor zenuwlijders.
Lang leven de agent met zijn boekje.
Wel jammer dat meer dan de helft van de agent zijn vragen dezelfde vragen waren die de mevrouw van de 112 ook al aan mij gesteld had. Dat bedierf mijn warme herinneringen aan Bromsnor (ik ga niet uitleggen wie dat is) die vijftig jaar geleden ook zo’n boekje had, en een potloodje waaraan hij gezellig likte voor hij ging schrijven. Ik kreeg sterk de neiging om breedsprakig te worden, om de agent zodoende eindeloos aandoenlijk te laten voortpriegelen, maar dat deed ik niet, want ik stond in een rafelige ochtendjas op de stoep nat te worden van de miezer.
’s Morgens om (inmiddels) 05.30.
En ik besefte dat het eigenlijk wel goed was zo. Ik zag opeens de digitale variant van dat opschrijfboekje en een akelige big brother met big data die ergens in zijn onnoemelijke geheugen opsloeg dat ik kennelijk bij nacht en ontij getuige kan zijn van auto-inbraken om bij de volgende keer mij te vragen of ik wel een alibi had. En ik zag mijzelf vergeefs om een kopje thee vragen bij een weigerende ober die in zijn apparaatje heeft gelezen dat ik nog een boete voor fietsen zonder licht heb openstaan.
Lekker integraal maar ook irritant.
Toen fietste verderop iemand een dwarsstraat uit die precies aan mijn beschrijving van de dief voldeed.
Vonden de agent die de auto van de buurman bewaakte.
Hij een sprong in de politieauto terwijl mijn ondervrager luid ging staan praten in zijn vérspreekapparaat, kennelijk om weer een andere collega elders aanwijzingen te geven voor de achtervolging. Dat kwam niet goed door, want hij herhaalde het drie keer, telkens harder en langzamer.
In andere huizen van de straat gingen ook lichten aan. Ik stond even oog in oog met een van de studente van nummer 37. Ze bekeek mijn ochtendjas. Of mijn sloffen, dat kon ik niet goed zien.
Allemaal even onterend.
De agent liep tevreden – vraag me niet waarom – naar de auto van de overbuurman en/of buurvrouw om die nog eens te inspecteren.
‘Heeft u mij nog nodig?’ vroeg ik.
Hij bleef staan en zei: ‘Nee, dank u.’
Het was alsof we een scene uit herenleed deden.
Ik kan niet wachten op de brief waarin hij met veel bijbehorende stempels, parafen en handtekeningen het verslag van dit alles aan mij toezendt.