
Verreweg de aandoenlijkste taalfout die ik ken is het verkeerde lidwoord. Ik had ooit een collega die toen de bel eens kapot was een briefje op het raam plakte met de tekst ’kloppen op de raam’. Ik had haar bijna ten huwelijk gevraagd, zo lief stond dat daar. Ze was twee jaar daarvoor hals over kop haar overspelige vriend achterna gereisd naar Spanje, eerst doodgewoon om hem te stalken onder het motto van het vileine lied ‘I wanna be around’ (to pick up the pieces when somebody breaks your heart; luister naar de versie van Frank Sinatra, grimmig maar toch een beetje verdrietig, hoewel de uitvoering van Eydie Gorme – een vrouw – beter bij dit verhaal past), daarna, toen daarop (een gebroken hart) wachten zinloos bleek, om hem tot inkeer te brengen en weer voor zich te winnen, wat uiteindelijk lukte, maar niet zomaar, laat staan meteen, nee, pas na twee jaar dus, een eindeloze tijd waarin ze haar liefde weliswaar terugvond, maar alle dagelijkse kennis van het Nederlands kwijtraakte, en vooral haar gevoel voor lidwoorden.
De, het, een, ze haalde ze allemaal door elkaar. Hetzelfde met aanwijzende voornaamwoorden. Die, dat, deze, en dit stonden altijd heel schattig te lonken naar de verkeerde zelfstandige naamwoorden, of andersom, dat weet ik niet. Begrijp mij niet verkeerd, zulke vergissingen ontroeren me niet zoals kindertaal wel kan vertederen omdat kinderen zo schattig zijn. Nee, als ik ‘die brood’ lees, krijg ik gewoon een brok in mijn keel. Ik weet niet waarom. Zoiets is je reinste poëzie. Het gaat me dus niet om de mensen die dat schrijven. Ik zeg het maar even, want straks denkt u weer dat ik medemensen uitlach om hun povere kennis van het Nederlands.
Dat ik haar ten huwelijk wilde vragen om haar taalfouten was trouwens niet waar. Ik zou dat eerder hebben gedaan omdat ze verschrikkelijk mooi was. Zo mooi dat ik haar soms niet aan durfde kijken. Ben ik toch al niet zo goed in, oogcontact, maar bij haar had ik het na een kwartier al opgegeven voor de rest van mijn leven.
Echt waar.
Geen goede basis voor een huwelijk, trouwens.
Haar vriend stond dat ook in de weg natuurlijk, want die was na zijn/hun avontuur in Spanje zo verkikkerd op haar geworden dat hij haar toen ze weer in Nederland waren en hun nieuwe huis betraden meteen had gevraagd met hem te trouwen. En zij had natuurlijk ja gezegd.
Aan dit alles herinnerde ze me iedere dag door in elk verloren moment omstandig de catalogus van Brabantia door te bladeren of mij stalen van haar eventuele gordijnen te tonen. Ik moest haar zelfs raad geven over de combinaties van die stoffen met het aanstaande behang. We bladerden naast elkaar gezeten zo’n bijbels dik boek door met achterop de bladzijden de naar elders hunkerende namen van de dessins (ik herinner mij ‘Capri’).
Tja, dat waren geen eenvoudige tijden.
Terug naar die lidwoorden. De moderne oplossing voor die lidwoorden is ze gewoon weglaten. Tegenwoordig zit bijvoorbeeld iedereen ‘om tafel’. Niet om dé tafel, nee, om tafel.
Zonder zitten zelfs. ‘We moeten even om tafel,’ zei laatst iemand tegen me. Dat is dus dat je met elkaar gaat praten. Kan ook met zijn tweeën op een bankje in het park, maar dat is dan weer half en half romantisch of anderszins relationeel, vind ik. Je gaat niet met iedereen op een bankje zitten.
Toch?
Eh.. ‘even om tafel’ kan ook zonder tafel. En al helemaal zonder bankje. Uitvinding van de eeuw. Of, wacht, nu we het toch over tafels hebben… ik weet niet waar u werkt, maar ik kom tegenwoordig overal tafels tegen. Ieder project of programma heeft er tegenwoordig een. Wist u dat? Eerst was er de ZSM-tafel. Ik leg niet uit wat dat is. Maar dat was nog een echte tafel, met de politie, het openbaar ministerie en de reclassering op stoelen er omheen en casussen erop. Maar binnen de kortste keren kwamen er ook tafels die helemaal geen tafel waren, maar gewoon een stel mensen bij elkaar om ergens over te praten. Ja, waarschijnlijk aan een echte tafel, maar dat hoefde dus niet, want tafel werd opeens een ander woord voor werkgroep/overleg/commissie/etc.
Iedereen wilde een tafel, want dat was hip.
Ik schrijf wilde. Verleden tijd. Want het is alweer uit, geloof ik. Die tafels worden ook te klein. De halve wereld schuift aan. Zo zit je aan een tafel (echt of niet) en zo ben je van een netwerk.
Omgeving is de nieuwe term. Een collega van mij zit in/op/bij een ‘verdiepingsomgeving’. Ik zie zoiets dan voor me. Een of ander landschap met een paar teletubbieheuvels waar dan beleidsadviseurs in ronddrentelen of bij elkaar staan. Ja, dat laatste is de super modernste manier van vergaderen, écht zonder tafel. Bij elkaar stáán en dan dingen bespreken. Gaat veel sneller, want iedereen krijgt platvoeten en pijn aan zijn rug of schiet wortel en wil dus snel afronden.
Hoe dan ook, of een tafel nou hip is of niet, mijn toenmalige collega wilde er zeker een, ze kon alleen niet beslissen wat voor een, een ronde, ovale of vierkante. Een salontafel, wel te verstaan. Het burgerlijkste meubelstuk ooit, vond ik toen, maar dronken van haar schoonheid, brak ik samen met haar mijn hoofd over wat het beste zou uitkomen in haar huiskamer. ‘Neem dezelfde vorm als je vloerkleed,’ zei ik. Dat vond ze een goed idee. ‘De vloerkleed is vierant,’ dacht ze hardop, met een hartverscheurende rimpel boven haar rechteroog en een wijsvinger tegen haar onderlip. Toen heb ik haar toch gevraagd of ze met me wilde trouwen.
Nee, heb je…
Maar zo behendig als ik schrijf, zo stuntelig kom ik uit mijn woorden. Zeker als het om de liefde gaat. Dus ik mocht het aanzoek eerst aan mijn baas, en daarna aan haar man uitleggen.
’Nog een keer en ik geef je een klap op de hoofd,’ zei hij.
Ah…
Maar om hém nou ook te vragen…