Guus

mier

Laatst zag ik Guus. Hij zat in de zon tegen de pui van de Jacobskerk, precies zoals hij dertig jaar geleden altijd op de binnenplaats van het afkickcentrum zat, rug tegen de muur, zijn benen opgetrokken, hakken tegen zijn billen, en zijn armen om zijn knieën geslagen.
Als een kind.
Ik wou dat ik daar zat, dacht ik toen altijd.
En vorige week weer.
Jaloers op een junk.
Je hebt wel eens van die dagen.
Hij zag me, en wat meer was, hij herkende me.
Bizar en toch ook weer niet. Hij had hij een ondoorgrondelijk geheugen. Zijn hele leven al. Hij onthield alles, maar kon zich niets herinneren.
Rara, hoe kan dat.
Zijn verstand leidde een eigen leven.
Zijn lichaam trouwens ook.
Toen.
Op de dag dat hij binnenkwam, kon hij amper staan, dat wil zeggen, amper stílstaan. Hij knikkebolde met zijn hoofd, schokte met zijn schouders, stuiptrok met zijn armen, en drentelde eindeloos in het rond, opgejaagd door de hel op aarde. Hij rilde en beefde zo erg dat het pijn deed om er naar te kijken.
Deed ik dus niet. Hij keek trouwens toch niet terug. Hij staarde naar de grond.
En wachtte. Dat was het enige dat hij kon.
Moest.
Tot hij op een dag plompverloren verhalen begon te vertellen. Waar ze vandaan kwamen, was een raadsel. Zijn hoofd was een bingomachine, met herinneringen als de balletjes. Als er een uitrolde, gooide hij die voor je voeten.
Maar ze waren wel vluchtig. Voor je het wist, keerde zijn blik weer naar binnen en viel hij midden in een zin stil om dan na een eindeloos zwijgen weg te lopen. Alsof je niet bestond en ook nooit bestaan had.
Maar hij vergat dus niets. Het kon een dag duren, of een week, veel langer zelfs, maar opeens stond hij dan weer voor je en maakte hij het verhaal af, de tijd tussen de twee momenten verdampte wwar je bijstond.
Een paar weken later, de cold turkey en detox voorbij, zat hij in de zon en zei hij: ‘Kijk, een manke mier.’
Er kwam er een een mier langs met nog maar vier pootjes, een links en drie rechts.
‘Dat is een domme mier, want hij kan alleen in rondjes lopen. Net als ik. Straks komt er een vogel…’
Hij keek me aan, opende zijn mond voor de rest van zijn zin, maar zweeg en staarde langs me heen in de verte. Een dag later vertrok hij naar een begeleid wonen-project en ik zag hem nooit meer terug.
Tot vorige week dus.
Ik ging naast hem zitten.
‘En die neemt me mee,’ zei hij na een poosje.
‘Waarheen?’ vroeg ik.
‘De lucht in. Zo hoog, dat als ik omlaag kijk, jij ook een mier lijkt. Een domme ronddarrende mier.’
Ik zag mezelf bezig.
Hij keek me aan. ’Nou kijk je heel sip. Ben je misselijk, van het rondjeslopen?’
‘Ja, zoiets’.
Je hebt wel eens van die dagen.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.