
Ik moest naar Almelo.
Dat is heel ver weg.
Voor iemand als ik.
Had ik al eens verteld dat ik niet van reizen hou?
Naar Almelo, dat is dus een reis.
Ja, lach maar.
Ik moest ook nog met een mevrouw van een onderzoeksbureau iets doornemen, dus we spraken af dat we elkaar op het station zouden ontmoeten, bij de Starbucks om precies te zijn, en dan, nog preciezerder, dus de Starbucks die het dichtst bij het jaarbeursplein ligt, om de hoek van spoor 21.
Ik geef deze inleiding om aan te tonen dat thuisblijven meestal het verstandigst is. Let maar op, alles gaat mis. Heen en weer fietsen naar de supermarkt of een winkel in de stad, dat is echt avontuurlijk genoeg. Verder weg, dat is gedoe; allemaal rituelen en dwangneurosen. En die dan altijd tevergeefs.
Het is een ziekte.
Maar goed, een mens moet de deur wel eens uit. Ik ook. Dus op een gegeven moment stond ik bepakt en bezakt en gehoed beneden bij de voordeur… om dus opeens te niet zeker te weten of ik alle ramen goed had gesloten. Sommige mensen gaan dan in gedachten hun handelingen na en concluderen dat alles in orde is. Anderen halen hun schouders op, mompelen ‘het zal wel’, en vertrekken.
Eek!
Ik kan dat niet. Ik moest dus terug naar boven. In haast. Want hoewel ik ruim de tijd had genomen, ik ken mijzelf, begon inmiddels toch de tijd te dringen. God mag weten hoe ik die telkens weer vermors.
Alles was natuurlijk gewoon dicht en het gas was uit, de achterdeur op slot, en ik hoefde helemaal niet te plassen. Maar toen ik weer beneden stond, voelde ik opeens een kou op mijn kop en besefte ik dat ik mijn hoed in de wc had laten hangen. Want ja, van al dat gejaag had ik het warm gekregen en om nou met dat ding op mijn kop dáár te gaan zitten… dat vind ik raar. Ja, ook als ik helemaal alleen in mijn eigen huis en onzichtbaar voor alle andere mensen ben. Daar heeft Sartre hele ingewikkelde dingen over geschreven die ik hier niet kan reproduceren en ook niet ga opzoeken. Cruciaal citaat is: ‘De hel, dat zijn de anderen.’ Ook als ze in geen velden of wegen te bekennen zijn. Onthou dat. Of nee, doe maar niet, dat maakt uw leven een stuk draaglijker.
Ik rende naar boven voor mijn hoed, om teruggaans mijn kuitspier of weet ik veel wat te scheuren toen ik overmoedig van halverwege de trap naar beneden op de grond sprong.
Viel.
Dat heb ik weer. Toch maar naar het station gestrompeld. Ja, fietsen gaat sneller, maar de tijd die ik daarmee win verlies ik vervolgens in de megalomane stalling van het station. Het zal wel aan mij liggen, maar iedere keer als ik daar kom, zijn er alleen maar plaatsen in die pesterige bovenrekken.
Had ik al eens gezegd dat ik nogal klein ben? Ik zou een lange verhandeling kunnen schrijven over de trauma’s die ik daarvan heb, vooral romantische, maar dat doe ik niet, want dit blog moet voor u ook een beetje leuk blijven. Weet in ieder geval dat mijn lengte me sinds mijn eerste verkering achtervolgt, alle mooie gedachten over innerlijke schoonheid ten spijt. Een goed hart en een groot verstand, daar heb je niks aan als je voortdurend naar boven moet kijken en de ander naar beneden.
Eh… Ik ging dus lopen.
Trekkebenen.
In de Starbucks probeerden een groep ouden van dagen wijs te worden uit het menu. En ik dacht dat ík ontheemd was (‘Koffie?’ riep het meisje achter de balie panisch uit. De mens is een raadsel.)
Groene schoenen. Aan de telefoon had de vrouw van het onderzoeksbureau gezegd dat ze die zou dragen. En ik had gezegd dat ik een hoed had.
Groene schoenen bleken nogal in de mode. In zes minuten tijd kwamen er acht vrouwen (en een man die zijn midlifecrisis bezwoer) met groene schoenen langs. En ik moest die ene hebben die op zoek naar een hoed was. Ik zal niet uitweiden over de misverstanden die ik veroorzaakte bij de vrouwen die ik hoopvol aansprak nadat ik eerst naar hun schoenen had gestaard (want je hebt groen en groen, en sommige zaten
net tegen turquoise aan, heus waar).
Zoiets is dan min of meer verdacht en ik weet niet wat ik daar aan kan doen. Maak het alleen maar erger.
Toen ik haar eindelijk dacht te zien, was ik te laat. Ze liep al zo’n beetje het station uit, bedaard maar gehaast, in een soort zwembadpas (ik leg dat niet uit) achter een hipster met een strogeel vakantiehoedje aan.
Nou ja!
Ook als ik géén gescheurde weetikveel had gehad, was ik blijven staan. Een hoed is een hoed. Geen raffia vogelverschrikkersding. Dat ze me kennelijk aan de telefoon voor zesentwintig versleten had (en 1,87 meter!), was vleiend, maar maakte het niet goed.
Dus ik liet haar gaan. Het was trouwens toch al te laat om nog te overleggen. Ik moest naar de trein.
(Later vernam ik – vraag me niet hoe – dat ze die jongen met zijn hoedje vertwijfeld aangesproken had – dat is dan weer niet verdacht – en dat hij haar natuurlijk had moeten teleurstellen, of nou ja, dat viel wel mee, want omdat ze net als ik geconcludeerd had dat wíj elkaar niet meer zouden treffen, en die conclusie met een nog vertwijfeldere zucht voor zich uit gepreveld had, had hij haar ter troost, op een kopje thee getrakteerd, en later, omdat het toch al een eind in de middag was, op een glas wijn, dit alles terwijl ze samen van het ene vrolijke onderwerp in het andere tuimelden, en ten slotte, moe van het lachen en in elkaars glanzende ogen kijken, naar zijn huis waren vertrokken om daar in elkaars armen op de bank in slaap te vallen).
Intussen was ík in Almelo ingehinkt. Op mijn bestemming aangekomen moest ik aan iedereen uitleggen hoe ik in hemelsnaam zo ver van huis verzeild was geraakt en hen toch had weten te vinden (mijn reputatie neemt altijd een trein eerder).
Wel ja. Één uur en twintig minuten over het spoor en ik was al even legendarisch als Livingstone.
Hoewel die langer was.
En geen zenuwlijder.
Denk ik.
Want dan word je geen ontdekkingsreiziger, dunkt mij.