Eeuwige liefde

Kauwen

De man en vrouw gingen met veel geruis van tassen en bijbehorend misbaar naast mij aan de andere kant van het gangpad zitten.
In de trein op weg naar Utrecht.
Het duurde even voor alles in orde was, want de vrouw moest zich goed installeren om de inhoud van haar tassen te inspecteren. Ze nam één voor één de dingen eruit en bekeek alles alsof het de buit van een diefstal was.
Hebberig.
Goodiebags. Een tas met gratis dingen, wat wil een mens nog meer?
Een tas met gratis dingen die je nódig hebt, zou ik zeggen, want er zitten altijd spullen in die ik nooit van mijn leven zelf zou hebben aangeschaft, sterker nog, die ik tot op het moment dat ik ze voorzichtig voor me op tafel leg nog nooit heb gezien en waar ik ook het bestaan nooit van vermoed had, maar goed, ik ben misschien niet de beste persoon om blij te maken met goodies.
Het woord alleen al.
Zijn er ook baddies? Daar zou ik nou wel weer de humor van inzien. Een mandje met ziektes of ongedierte.
Ja, ik vind dat grappig.
Eh… waar was ik?
Bij de vrouw in de trein. Ze had kennelijk alles zonder verder na te denken in de tassen gepropt of laten proppen, want bij alles wat ze tevoorschijn haalde, kreunde ze (het was eigenlijk een binnensmonds kirren, maar daar weet ik geen woord voor), verrast om wat ze nou weer opdiepte.
Haar man probeerde intussen te slapen.
Daar kwam niks van terecht, want de vrouw was zo iemand die hardop denkt. Ik onderdruk hier de stelling dat het meestal vrouwen zijn die dat doen, omdat ik die niet goed kan onderbouwen. Mannen doen het misschien ook, sterker nog, ik ken er een paar, ik doe het zelf ook wel eens, maar dat is anders. Meestal naar binnen gericht. Mannen praten tegen zichzelf.
De vrouw niet.
De vrouw in de trein, bedoel ik.
Maar die stelling laat ik achterwege.
Zo’n beetje alles wat er door haar hoofd ging (weet ik niet zeker natuurlijk, ik kan geen gedachten lezen, maar goed ook, want aan de dingen die ze openbaarde had ik meer dan genoeg) nam ze op in een ononderbroken relaas (rode draad: een beschrijving van haar goodies en het nut dat ze ervan dacht te gaan hebben) dat ze behendig mengde met beschrijvingen van het landschap waar we doorheen raasden en citaten uit de appjes die intussen ze ontving.
‘Woensdag komen de kinderen eten,’ zei ze, ‘gezellig toch? Mogen we komen eten, vroegen ze net. Gezellig, heb ik geappt. Dat is het toch? gezellig?’ Ze gaf haar man een elleboog en hij schrok wakker. Of deed alsof. De vrouw glimlachte. ’Ik ben dan wel eerst naar die cursus. Dat weet je hè?’
Hij knikte.
Ze vouwde een plattegrond open en tuurde er een tijdje naar voordat ze het ding ten slotte voor haar man zijn neus hield. Ze waren naar het Mauritshuis geweest en terwijl ze de hele route nog eens naliep, verdwaalde ze met terugwerkende kracht in een van de afdelingen.
Een paar keer.
De man haalde haar telkens weer terug. Hij tekende in de lucht hoe het museum in elkaar stak. De vrouw vloekte, want ze had een hele vleugel gemist.
‘Wat was daar?’ vroeg ze. De man haalde zijn schouders op. ‘Jij vergeet ook altijd alles…’ Ze glimlachte weer. ‘Of waren het allemaal naaktschilderijen?’
Hij schudde zijn hoofd. De vrouw keek in haar mobieltje.
‘Ik vraag haar even wat ze wil eten… O,risotto… En hamburgers…’ Ze dacht even na. ‘Goed, als jij dan die hamburgers doet, maak ik vantevoren de risotto wel… Vóór mijn cursus… Ze komen om half zes, dan ben jij er toch al?’ De man knikte. ‘Gezellig… Maak je ook sla?’
‘Huhuh.’
‘Goh, moet je kijken hoe groen het buiten alweer is. Dat gaat soms zo snel, hè!? Vanmorgen werd ik wakker van de vogels, dat vind ik ook altijd zo leuk.’
‘Om vijf uur!’ zei de man. ‘Ik snap niet wat daar leuk aan is.’
‘Gewoon, al die geluidjes. Hoe ze naar elkaar fluiten. Dat vind ik leuk. Gezellig. Doet me aan vroeger denken. Toen de kinderen nog klein waren. Als ze dan wakker werden. Dat gemurmel…’
‘Vroeger… Ja, het was inderdaad vroeger, meestal vóór die vogels begonnen.’ Ze gaf hem een duw.
‘Dat viel best mee… Alleen Esther soms… Dan ging ik haar gewoon halen. Nam ik haar mee naar beneden om samen in de schommelstoel te luisteren en naar buiten te kijken…
O, god, we zijn er al bijna, kijk daar heb je Douwe Egberts al.’
Ze zocht haar goodies bij elkaar en duwde alles terug in de tassen. De man ging rechtop zitten en hielp haar.
‘Wat ga je met al die zooi doen?’ Vroeg hij.
‘Weet ik nog niet. Misschien is er iets voor de kinderen bij.’
‘Ik hoop het.’
Ze duwde hem weer. Hij grinnikte en nam de tassen van haar over. Ze vertrokken, met hetzelfde geruis en hetzelfde misbaar, maar op een of andere manier gelukkiger.
De mens is een raadsel.
Ik ging achter hen aan, tot de vrouw de AH binnenging (Hamburgers!), waarna ik toch maar naar de kroeg liep (ik kon moeilijk naast de man gaan staan wachten tot ze terugkwam), waar ik bier zou gaan drinken met een vriendin, die al meteen na de eerste slok, god mag weten hoezo dát opeens, je verzint het niet, de kwestie van eeuwige liefde op tafel gooide.
Bestaat die of niet?
Ik wist het niet, wat eigenlijk al een soort antwoord was, want als je erover twijfelt, kun je het wel vergeten, maar mijn tafelgenote was stelliger en wond er geen doekjes om: liefde voor het leven bestaat niet.
Punt.
‘Wat niet wegneemt dat je er wel voor moet gaan.’
Vond ze.
Da capo.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.