
Op zoek naar iets te eten in zo’n half verlaten dorp waar het altijd zondagmiddag is, stapte ik niets vermoedend een museum met houten spullen binnen. Ik keek wat rond tot een lange man me vroeg of ik wat wilde rondkijken. Ik kon moeilijk iets anders beweren. Dat ik op zoek naar voedsel was, zou erg ongeloofwaardig klinken. Hoewel ik het niet kon laten om erg gretig en verlekkerd naar een levensecht nagemaakte fruitschaal inclusief houten appels en peren te staren, ook al omdat het mij deed denken aan het hilarische gedicht van Koos Speenhoff over vegetariërs, wat ik hier niet ga citeren, behalve dan de volgende regels, om uit te leggen waar mijn associatie vandaan komt: “voor een paar onnooz’le centen / eet je appelen met krenten / soep van blaren, pas gevallen / met mahoniehouten ballen” – de rest moet u echt zelf lezen en, nog beter, hardop voorlezen aan iemand, het maakt niet uit wie, aan u zelf desnoods, eh… ik dwaal af.
Leest u het gedicht, dan ga ik ondertussen terug naar IJlst.
Ja, ik wilde dus even rondkijken.
‘Wij vragen daar wel een vergoeding voor,’ zei de man. Hij keek me aan. ‘Ja, dat weten de meeste mensen niet.’
Goede truc. Hij betichtte me van iets illegaals terwijl hij me wegzette bij het domme deel van de mensen dat niet kan bedenken hoe een museumbezoek werkt. Nu ja, ik hád natuurlijk zeker twee minuten gratis rondgekeken, maar het is over het algemeen moeilijk om níet rond te kijken, en daar in het absurd kleine museumpje al helemaal, want voor je het wist, had je alles zonder te betalen gezien. Ik trok meteen mijn portemonnee om de schade niet op te laten lopen.
Vier euro.
Een onooglijk toegangskaartje.
Goed, er was houten speelgoed, niet alleen vrolijk gekleurd spul, maar ook van dat onbewerkte beukenhouten spul, er waren van die irritante onderbindschaatsen (wat je ook deed om ze aan je arme voeten vast te snoeren, ze schoten altijd na drie slagen weer los), en er was gereedschap, wat erg mooi was, om niet te zeggen geil, maar dat is niet moeilijk, bijna elk gereedschap is mooi om niet te zeggen geil.
Vind ik dan, wat eigenlijk raar is, want ik heb twee linkerhanden en ben zo handig als een tros druiven.
Ik liep rond. Met de nadruk op rond, want het centrum was zoals gezegd nogal klein en we konden niet veel veel anders dan rond een grote vitrinekast langs de muren met planken vol uitgestalde spullen schuifelen.
De andere bezoekers en ik.
Het was een soort processie.
Dat had ik nog nooit gedaan, en met een beetje fantasie werd het heus plechtig, maar zoiets gaat op den duur ook vervelen. Om tenminste iets te denken, droeg ik mijzelfop om uit te rekenen hoe lang een mens voor vier euro rondkijkt alvorens maar weer eens op te stappen. Daar kwam ik niet uit.
Zo af en toe keek ik wel hunkerend naar de beukenhouten appels en peren. Hoewel ik doorgaans heel fatsoenlijk ben, sta ik niet voor mijzelf in als ik honger heb. Dan maakt het me op een gegeven moment niet uit waar ik mijn tanden in zet. Ik heb eens met twee woedende kinderen achter mij een pakje namaak chocolade sigaretten met vloeipapier en al opgegeten (lospeuteren was een kwelling) omdat nu eenmaal het eerste was dat ik tegenkwam.
Net toen ik smakkend aan een goudreinet rook, stelde de lange man een vraag aan iedereen die rondliep.
‘Weet iemand misschien waar al deze schaatsen van gemáákt zijn?’ vroeg hij. Dat was niet moeilijk. Beukenhout zeiden enkele bezoekers. Hij knikte zuinig. ‘Gestóómd beukenhout.’
Klein detail dat alleen kenners weten. Wij knikten. De man dacht na over een volgende vraag.
‘En weet u dan waarom deze schaatsen doorlopers genoemd worden?’ Hij wees naar een paar schaatsen in een glazen kast. Wij keken eens goed, maar durfden niet te antwoorden. De man stapte op de kast af en zei: ‘Dat dacht ik wel. De meeste mensen die hier komen, weten dat niet.’ Hij pakte de schaats ui de kast. ‘Kijk, het ijzer hier achter aan de schaats, dat loopt bij deze dus door.’
Wij zagen het.
‘En bij deze dus niet.’ Het scheelde anderhalve centimeter, maar het was waar. ‘Een doorloper is veiliger, want daar kun je minder makkelijk mee achterover vallen.’ We knikten nog maar eens en wilden doorlopen.
No pun intended.
‘Dat wist u niet hè?’ ging hij verder. ‘Nee, dat weten de meeste mensen niet. Die denken dat het die krul is aan de voorkant, die doorloopt. Dat is natuurlijk wel zo, maar dat is bij heel veel schaatsen. Aan de achterkant niet. Dat is alleen bij doorlopers.’ Hij wachtte even om te zien hoe dat bij ons aankwam.
Glunderde.
Triomfantelijk.
Wat het allemaal extra irritant maakte, want ik heb een belachelijk goed geheugen, dus van die man met zijn schaats kwam ik nooit meer vanaf. God, de dingen die ik allemaal nog weet… ik schrijf dat niet om op te scheppen, want een hele hoop wil ik best vergeten. Vraag me niet waarom, maar de man met zijn smalende grijns riep de lach van onze buurvrouw in de saaiste straat van het destijds (1964) sowieso hele saaie Ammerzoden op, inclusief de kleur van haar tanden en het blikkerende goud van een kies rechtsboven, om maar niet te spreken van de plooien in haar hals die week meetrilden met haar helse geschater.
Eek!
En dan dus ook nog een helse honger.
‘Mijnheer, wij staan niet toe dat bezoekers de uitgestalde museumstukken aanraken,’ zei de man.
‘Net echt, zo’n appel,’ zei ik tussen twee happen door. ’En best wel te eten.’
Hij staarde me aan.
‘Ja, dat weten de meeste mensen niet.’