
De man die gisteren in de schemering toch nog met mijn nieuwe matras verscheen, bracht me ook een herinnering.
De dag voor kerstmis 1974; een zwaar bewolkte en natte dag waarop wij (mijn ouders, mijn zus en broer en ik) na een dag stromeloos winkelen in de stad vlakbij de bushalte een manke jongen van mijn leeftijd tegenkwamen die hinkend een in plastic verpakte matras met zich meezeulde op weg naar het paaltje met de vertrektijden van de bussen. Toen hij een tijdje in het halfdonker naar de staatjes had staan turen, begon hij te huilen.
Mijn vader vroeg wat er aan de hand was. De jongen vertelde dat hij niet meer wist welke lijn hij moest nemen omdat hij in geen enkele dienstregeling zijn dorp kon vinden (wat niet vreemd was, want het was feitelijk geen dorp, maar niet meer dan een kluitje huizen dat ooit in de middeleeuwen een naam had gekregen omdat de rivier waaraan het lag er doorwaadbaar was, wat door de eeuwen heen de enige verdienste bleef, tot de rivier opdroogde en er drie onooglijk en onbetekenende straatjes restten, waar de bus wel stopte, maar alleen als reizigers erom verzochten – allemaal bijzonderheden die ik om een of andere reden wist, maar die ik de jongen bespaarde omdat hij al veel te eenzaam was; dacht ik).
Hij was door zijn ouders op pad gestuurd om het matras op te halen bij kennissen van hen, een koppel met zeven kinderen dat ze ontmoet hadden toen zij tijdens de afgelopen pinkstervakantie in de speeltuin in Nederhemert-Zuid waren geweest. In tegenstelling tot wat hij van die dag nog wist, bleken het nare mensen die naar al hun kinderen venijnige dingen schreeuwden en bij onenigheid daarover elkaar uitscholden of te lijf gingen. Uiteindelijk waren ze de matras gaan halen, maar toen het op betalen aankwam, hadden ze een hoger prijs geëist dan was afgesproken en hem gedwongen om ook het geld voor de terugreis af te geven.
Hij vertelde alles met veel gevoel voor detail en uitgebreide sfeertekeningen (zo weet ik nog steeds dat het bij die mensen thuis naar ‘de kantine van het voetbal’ had geroken, en dat er nergens een tafel om aan te eten had gestaan maar wel een box waarin behalve een peuter ook een wit geitje had staan mekkeren; dat laatste had ik al meteen niet geloofd, maar ik vertel het hier omdat het nu eenmaal in mijn hoofd zit en het tenminste nog íéts vrolijks aan zijn verhaal gaf).
Aangekomen bij de kwestie van het geld was hij weer gaan huilen.
Mijn vader en moeder keken elkaar aan en mijn moeder liep naar het bordje met de dienstregelingen. Ze bestudeerde het en keek op haar horloge.
‘Hij komt over een paar minuten,’ zei ze. De jongen veegde met de mouw van zijn te grote trui de tranen uit zijn gezicht en keek ons een voor een aan.
‘Komt jullie bus? Gaan jullie weg?’
‘Nee, jóuw bus,’ zei mijn vader, ‘die van jóu komt eraan.’
‘Maar ik heb geen geld!’
‘Wij betalen wel.’
Als toen niet meteen de bus in de verte te zien was geweest en wij samen met de jongen aanstalten moesten maken om hem gereed te laten staan met zijn matras, was hij waarschijnlijk weer aan het huilen geslagen.
Met ons erbij.
Toen de bus wegreed en de jongen vanaf de achterbank naar ons zwaaide, zijn andere arm achter het matras alsof het een vriend was, kregen we het toch nog te kwaad. Het duurde niet lang of we stonden daar dicht tegen elkaar aan (als schapen in de wind), te slikken en te sniffen en naar de bus te staren tot die in het donker verdween.
‘Mijnheer!?’ vroeg de man. Ik keek op. Hij glimlachte. ‘Laat mij maar even.’ Hij pakte het matras alsof hij iemand omhelsde en manouvreerde het behoedzaam de trap op terwijl hij zichzelf (en het matras) fluisterend begeleidde met op iedere tree een paar bemoedigende woorden. Hij was terug voor ik er erg in had, de verpakking netjes opgevouwen onder zijn arm.
Van een fooi wilde hij niets weten. ‘Fijne kerstdagen,’ zei hij.
Pas toen hij terug naar zijn vrachtwagen liep, zag ik dat hij hinkte.