Virtual reality, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Ik wil niet opscheppen, maar dat had ik al uitgevonden voordat Mark Zuckerberg geboren was.
Ik noemde het fantasie.
Echt heel handig.
Vond ik.
Want toen ik klein was, was de werkelijkheid té echt. Zo woonde ik in een dorp tien kilometer van de grote stad waar ik naar school ging, tot nijd van het hoofd van de dorpsschool, die getrouwd was met de zus van onze kapper, die weer een broer had die meester was op een school in dezelfde grote stad, een straat achter míjn school, wat mijn ouders op het idee bracht om hem te vragen of ik met hem mee kon rijden. Dat kon. Voor een dubbeltje minder dan het weekabonnement voor de bus mocht ik iedere dag met hem heen en weer.
So far so good.
Op de heenweg zette hij mij voor mijn school af, maar voor de terugreis moest ik een straat verderop ergens op een hoek op hem wachten. Dat was vanwege eenrichtingsstraten handiger. Of zoiets.
Iedere dag, vijf minuten nadat ik op die hoek was aangekomen, verschenen er twee jongens (een tweeling) die er lol in hadden om mijn tas af te pakken en die in een boom te gooien, of over een heg, of gewoon midden op straat als er juist een auto langskwam. Als ik me tegen hun getreiter verzette, sloegen ze mij. Het was ver voor de tijd van ook maar iets wat op pestbeleid leek en ik wist niet beter of zulke dingen hoorden bij het leven, inclusief de nachten dat ik er wakker van lag.
Shit happens.
Dus ik zweeg erover. Tot de jongens me een keer een tand door mijn lip sloegen en mijn moeder vroeg wat er was gebeurd. Door goed ouderlijk recherchewerk kwam na verloop van tijd alles uit inclusief het toeval dat de pestkoppen in de klas van de broer van de kapper zaten. Mijn moeder lichtte de kapper in en de kapper zijn broer (én zijn zwager, om die een reden te geven de grote stad en de scholen aldaar nog eens te vervloeken), die (de kapper zijn broer bedoel ik) er geen gras over liet groeien. Meteen de volgende dag al vertelde hij mij triomfantelijk welke straf hij de twee gegeven had. Dat stelde mij niet gerust. Hij had ze alleen maar nieuwe argumenten gegeven om mij in elkaar te slaan.
Maar dat deden ze niet. Ze kwamen nooit meer terug. Vraag me niet waarom. Voor mij maakte het bij nader inzien weinig uit, want de angst voor het pesten was erger dan het pesten zelf en die angst sleet maar langzaam.
De mens lijdt het meest aan het lijden dat hij vreest. Kan zo op een tegeltje. Sterker nog, het kómt van een tegeltje, dat mijn opa op het toilet had hangen, wat bij nader inzien wel een rare plaats was, vind ik, want ik weet niet hoe het u vergaat, maar mijn prominente emotie daar is opluchting. En niet omdat ik ergens bang voor ben en het allemaal meevalt, maar doodgewoon omdat ik mezelf van ballast verlos.
Eh… waar was ik?
Oja, angst. Pas jaren later was ik er helemaal van af.
Dat kwam zo.
Ik speelde een voetbalwedstrijd tegen Blauw-wit A7, in welk elftal de tweeling rechtsback en spil bleken te zijn. De ene die mij moest dekken was alleen bezig met de ander verwijten te maken over de gaten die hij in de verdere verdediging liet vallen, en omgekeerd geloof ik, want ze leken erg op elkaar en soms wist ik niet wie nou wie was. Hoe dan ook, ze hadden geen goed woord voor elkaar over en toen ik een doelpunt maakte, kregen ze ruzie over wie mij vrij had laten staan. Nog voor de bal weer op de stip lag, hadden ze elkaar half dood geslagen. Ze werden van het veld gestuurd en hun teamgenoten gingen hoofdschuddend verder met de verzuchting dat het toch droevig was dat een tweeling elkaar zo kon haten.
Dat was mijn genezing! Hoe simpel kan zoiets zijn… hun onderlinge haat beurde me enorm op. (Ja, dat is misschien niet zo harmonieus gedacht van mij, maar hé, ik probeerde van een trauma te genezen.) Ze sloegen gewoon iedereen ajour, zelfs elkaar! Geweldig! Ik was in een klap (no pun intended) van mijn nachtmerries af.
Nou ja, bijna in één klap. De rest verjoeg ik zelf. Lang leve mijn fantasie!
Ik kreeg namelijk verkering met hun buurmeisje, die mij vertelde dat ze opgroeiden voor galg en rad. Wat mij er toe bracht om in de eerstvolgende slapeloze nacht waarin hun pesterijen weer eens terugkwamen, hun roemloze criminele carrières in de penose bij elkaar te verzinnen. Ik verbeeldde me hoe een lokale peetvader de twee vanwege hun rabiate neiging om alles met geweld op te lossen had aangenomen als zijn lijfwachten, waarna ze in het geniep een coup tegen hem beraamden, een onderkruiperige opstand waarvoor ze eigenlijk te dom waren, maar vooral niet eensgezind genoeg, zodat hun plan finaal uit de hand liep, als in een film van Tarantino, maar dan van de weeromstuit zonder het gebruikelijke geweld, en met een navenant schlemieliger einde, namelijk met een eerloze werkstraf in een bejaardencentrum, waar ze de half gekauwde en weer uitgespuwde etensresten van de oudjes moesten opruimen. Ook die van mijn opa, die daar zijn laatste dagen sleet, en die ik bij ieder bezoek dingen te eten gaf die hij niet binnen kon houden zodat ik via hem de jongens een beetje bezig hield.
Ja, gemeen, maar dit was allemaal niet echt hè. Ik verzon het om mijzelf er weer bovenop te helpen.
Eerst verzinnen, dan vergeven was mijn motto. Hielp me mijn jeugd te overleven.
Virtual before virtue.
Mooie naam voor een game.
