
Wat willen mensen die hun mailtjes afsluiten met ‘ik hoor graag’? Mijn neef is doof en als hij zoiets zou schrijven, snapte ik het wel. Niet dat hij zoiets zegt trouwens, want hij wil helemaal niet horen. Dat is een frappant fenomeen, want al zijn dove vrienden vinden het ook best zo. Je vraagt je in gerede moede af waarom wij (de horenden) geluid maken. Afgezien van muziek is het misschien gewoon lawaai.
Maar goed, achter ‘ik hoor graag’ bedoelen de mensen natuurlijk ‘van u’ of ‘wat u het beste schikt’. Van die dingen. Ergens zijn die teksten verdwenen. Scheelt weer typen. Wie graag iets hoort, wil snel een antwoord.
Kennelijk.
Maar dan wel schriftelijk… Ja, want nee, het is dus niet de bedoeling dat je echt iets van je laat horen. Toen ik de eerste keer na zo’n mailtje meteen opbelde, bleef het eerst stil aan de andere kant, waarna er argwanend ‘Eh?’ volgde. Op een toon alsof ik een oneerbaar voorstel had gedaan.
Ik kwam van de weeromstuit niet meer uit mijn woorden, waardoor de mevrouw aan de andere kant steeds argwanender werd. En dat ze toen slotte beledigd de verbinding verbrak, was misschien niet zo vreemd, want ik stotterde hele rare dingen, reconstrueerde ik later.
Het leven is één grote worsteling.
Neem nou bijvoorbeeld vergaderingen (ik spring niet van de hak op de tak, dat ‘horen’ komt terug, blijf lezen). Ik heb er iedere dag wel een, maar ik ben er nog steeds niet goed in. Veel mensen bij elkaar, dat is niks voor mij. Ik heb dan maar twee strategieën: stil wachten tot het voorbij is of hyperventilerend het hoogste woord voeren (en dan thuis met terugwerkende kracht proberen te achterhalen wie ik allemaal beledigd heb). Gisteren zat ik binnen de kortste keren in zo’n zenuwslopende opeenstapeling van bijdehante beweringen. Tot de voorzitter op een van mijn stellingen antwoordde: ‘Ik hoor wat je zegt…’
Let vooral op de puntjes. Dat zijn veelbetekenende puntjes. Die zeiden: ‘wat een flauwekul.’
Of iets van gelijke strekking.
Waarom zei die man dat niet gewoon? Kan ik heus wel hebben. Maar nee hoor, niks recht door zee of voor de draad ermee. Dat wierp ik hem dan maar meteen voor de voeten. Ik was toch lekker op dreef.
Hij zei: ‘ik snap wat je zegt…’
Weer die puntjes. Dat snappen lijkt stelliger dan horen, maar is lafhartiger, want nu bekende hij niet alleen dat hij had gehoord wat ik zei, maar ook dat hij erover had nagedacht, het had begrepen, en het alsnog larie vond. En dat alles zonder het te zeggen.
Het is een gave.
Ik hoorde hem ook, en snapte wat hij bedoelde, maar hield mijn mond, want je kan wel bezig blijven met elkaar beleefd af te katten. Daar heb je niks aan.
Ik was bovendien, snel afgeleid als ik ben, alweer erg aan het nadenken over het horen waar iemand anders het over had. Dat bleek jargon voor vérhoren. Ik wist dat niet, en vroeg: ‘hoe ziet dat horen eruit?’
Geniale vraag, toch?
Al zeg ik het zelf.
Jammer dat het andersom niet kan. ‘Hoe klinkt dat zien?’ slaat nergens op.
Het antwoord was trouwens ook geniaal: ‘We gaan langs of bellen op, en stellen vragen. Tot we weten hoe het zit.’
Horen om de waarheid aan het licht te brengen. Wat wil een mens nog meer. Mijn neef was er helemaal voor.