Zielig

zielig2

De conductrice riep om dat de trein naar Utrecht zou gaan en onderweg alleen stopte in Gouda.
Of nee, té Gouda.
Waarom ze bij de NS de taal van een halve eeuw geleden spreken is me iedere keer weer een raadsel, maar daarover misschien een andere keer. Dan hoop ik ook een antwoord te hebben op de vraag waarom ze die informatie over de bestemming en tussenhaltes van de trein kort ná het vertrek geven en niet kort vóór vertrek (want dan zou je nog uit de trein kunnen springen als blijkt dat je verkeerd zit).
Maar goed, toch wel een fijne mededeling.
Meteen daarna vond zij (de conductrice) het jammer genoeg nodig om ons ook ongevraagd goede raad te geven. Twee goede raden. Of eigenlijk verordeningen. Ze noemde het verzoeken, maar ze waren onverholen gedrenkt in niet mis te verstane suggestie en ergernis, en dat vind ik bij verzoeken niet passen. Die moeten vriendelijk zijn, niet pissig.
De eerste goede raad, ik bedoel dus verordening, ging over onze tassen. Die konden we beter niet in het gangpad neerzetten, want dan struikelden anderen daarover. En naast ons op een zitplaats was ook niet handig, want dan kon niemand anders daar zitten. En het was nogal druk. Daarna somde ze op wat goede plekken voor tassen en andere bagage waren. Ik weersta de neiging om die plekken hier ook allemaal te noemen. Het was een geweldige lijst, maar er kwam geen einde aan. Het was de eerste keer dat ik een uitputtende lijst hoorde die ook uitputtend was. Ook al doordat de conductrice het allemaal op tamelijk vermoeide toon omriep.
Ze vond ons hardleers.
Geen wonder, we waren doodop toen ze klaar was met haar opsomming.
En daarna kwam de tweede goede raad nog: of we alstublieft geen geld wilden geven aan de mensen die met briefjes om een bijdrage vroegen voor de zakdoekjes die ze op de stoelen of tafeltjes achterlieten.
Of woorden van gelijke strekking.
Om dit advies te onderbouwen, vertelde ze een lang verhaal met veel details (wijdlopig was haar middle name) die ze óók allemaal in minachting had gedoopt. Bijzonderheden over de ware omstandigheden en bedoelingen van deze quasi bedelaars, die dus eigenlijk helemaal geen bedelaars waren, dat zei ze er nog maar even bij, maar flessentrekkers (m/v) die dit al jaren voor hun beroep deden, als het ware. Haar conclusie en onomstotelijke wijsheid die ze gratis en voor niets aan ons ‘meegaf’: dat die mensen dus echt niet zielig waren.
Definieer ‘zielig’, dacht ik hardop. Het meisje naast mij keek me geschrokken aan en dook weer in haar boek.
Uh… een conductrice van de Nederlandsche Spoorwegen op de trein van Den haag naar Utrecht die private hoon in de intercom van de trein roept, dat vind ik wel een goed voorbeeld van zielig.
Dat was niet meer hardop. Zo bijdehand ben ik wel. Voor je het weet, zit je in een hele ongemakkelijke discussie over de enige echte eigenschappen van bedelaars en de morele criteria voor verantwoord doneren aan hen. Als je tenminste niet meteen voor verward versleten wordt. Want hardop praten, da’s al snel verdacht tegenwoordig. Ik doe het vaak als ik racefiets, maar dat is dan meestal ergens op een waaierige dijk, waar de wind iedere schreeuw opvreet voor-ie geklonken heeft.
Eh, waar was ik… O ja, bij zielig. Een onhandig begrip om gedachten over het onderwerp (bedelen-schuine-streep-geld-aftroggelen) te ordenen. Want subjectief. Zie hierboven voor voorbeelden. Ik vind de conductrice zielig, en zij mij.
Waarschijnlijk.
Mijn persoonlijke beleid (ja, beroepsdeformatie, ik maak echt overal beleid voor) is dat ik niet oordeel over bedelaars (zie ook dit blog). Dat is sowieso een goed uitgangspunt in de omgang met mensen, vind ik, maar ik moet eerlijk zeggen dat me dat niet altijd goed lukt. Zie hierboven voor voorbeelden.
Over beleid gesproken, zou het advies van de conductrice Spoorwegenbeleid zijn? Dat zou me nog minder bevallen, want ongefunderde theorieën over zieligheid moeten particulier blijven, vind ik. Kijk maar naar Trump, voor je het weet zijn het wetten.
Een vriendin van mij zei me later dat de conductrice gelijk had. Het zijn geen bedelaars, maar bendeleden. Dat wil zeggen, de vrouwen die in de trein zakdoekjes verkopen moeten dat van de bendeleider.
Geen bedelaars, toch zielig. Of zoiets. In ieder geval niet leuk.
Juist dan vooral geld geven, zou ik zeggen. Ja, zo houden we de bende in leven, maar wat denkt u dat er gebeurt als ze met lege handen thuiskomen?
Dilemma. Ook hier is de oplossing: niet oordelen.
Dat vond de conductrice niet, want als je geld gaf, wisten ze meteen waar je je portemonnee bewaarde.
Zei ze vinnig. Alsof we het nou nog niet snapten.
Tja, waar iedereen zijn/haar portemonnee bewaarde, werd nu ook – heel handig – duidelijk, want alle mensen voelden meteen of hij er nog in goede orde was, en of tas en andere bagage zich nog op een van de vele toegestane opbergplaatsen bevonden.
Wat goed uitkwam, want we waren intussen in Gouda aangekomen, en de conductrice was in één adem door aan haar riedel over het volgende station begonnen. Ze noemde alle denkbare andere richtingen waarnaar we konden overstappen, zuchtte dat we niet moesten vergeten uit te checken, en drukte ons op het hart bij het verlaten van de trein aan onze eigendommen te denken.
Dat is ook een gedoe hoor, aan je eigendommen denken. Tas en portemonnee, dat is nog tot daar aan toe, maar hoewel ik karig leef, bezit ik veel meer dingen. En die dan allemaal in gedachten nemen. Ga er maar aanstaan als je met z’n allen snel de trein uit moet.
Over zielig gesproken.
Je kunt je spullen eigenlijk maar beter weggeven.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.