
De vrouw die in Gouda naast mij kwam zitten diepte meteen haar mobieltje uit haar handtas en zei nog voor ze het ding goed en wel tegen haar oor had gedrukt zonder verdere inleiding: ‘Je hebt geen interesse voor wat wat mij bezighoudt…’ Daarna bleef ze even stil.
‘Nee, dat zei híj! Tegen míj!’
Ah! Dat verklaarde haar vreemde stem. Ze had haar man nagedaan. Hij had kennelijk een lijzige toon van praten.
‘Snap jij dat?’ ging ze verder. ‘Ik probeer mijn hele leven al te begrijpen wat-ie wil…’
Stilte.
‘Dat bedoel ik. Hij is nou niet bepaald een open boek.’
Ik zag de man voor me. Aan tafel, tegenover de vrouw, tijdens het avondeten. Vraag me niet waarom. Er zijn honderden situaties te bedenken, maar ik zag deze. Gordijnen dicht om de schemer buiten te houden, tafelkleed over de helft van de eettafel, schalen waar damp uit opwalmt als de vrouw er de deksels van licht. Groenten en aardappelen, vlees. De man wacht tot de vrouw zijn bord volschept. En net voor de eerste happen zegt hij…
Hm. Da’s wel een errug saaie scène.
Deze kan misschien ook: een bankje met zicht op de Lek, waar ze in de zon wachten op het veer naar Culemborg, fietsen met trapondersteuning als gehoorzame paarden op hun standaarden in de berm, en dan een stilte die steeds minder fijn wordt, tot hij het dan toch maar in de groep gooit, als het ware: ‘het kan zoals de achterburen hebben gedaan.’
Vraag me niet hoe ze in Culemborg komen terwijl ze in Gouda wonen, trouwens. Dat weet ik ook niet. Aan de Hollandsche IJssel heb je ook vast leuke bankjes, maar dat veer drong zich aan me op, dus het blijft de Lek.
En het blijft ook een beetje saai, maar lieve help, ik vrees dat we daar niet aan ontkomen. Sterker nog, om dit blog niet helemaal uit de hand te laten lopen hou ik het leven van die twee met opzet aan de gewone kant, want ik ken mezelf, als ik mijn gang ga, hebben die twee binnen de kortste keren iets onwelvoegelijks gedaan, of een delict gepleegd.
Eh… hoe dan ook: de vrouw zwijgt en er volgt een nieuwe stilte (op het bankje aan de oever van de Lek). Daar is zij goed in. Zwijgen. En hij kan daar niet tegenop. Dat weet zij. De man denkt na. Slikt.
‘Ik ben het wezen vragen,’ fluistert hij ten slotte. ‘Het mag zonder vergunning.’
Dat is natuurlijk altijd goed. Dat je gewoon je gang kunt gaan en niet bij de gemeente of andere overheidsinstantie door een bureaucratische molen moet. Bovendien neemt het haar de wind uit de zeilen. Gedoe met formulieren en vergunningen die je toch niet krijgt, dat was nou geen verweer meer.
‘En het kan in twee dagen!’
Triomfantelijk.
Terecht, want in twee dagen ís ook mooi. Langer dan een paar dagen wilde ze er niet mee kwijt zijn, áls ze er al aan wilde beginnen.
‘Dus nou komt er van de week een of ander mannetje langs,’ zei de vrouw.
Let op: we zijn weer terug in de trein naar Den Haag.
‘Om te kijken of het kan.’ Ze luisterde naar de ander. ‘Ja, dat zei ik ook. Had je dat niet beter eerst kunnen doen, checken of het wel kan? vroeg ik.’ Gekraak uit het mobieltje. ‘Hè? Niks. Hij haalde zijn schouders op. Ik zei: Straks past het allemaal niet en dan hebben we elkaar voor niks naar het leven gestaan…’
We reden intussen de buitenwijken van Den Haag binnen. Ze staarde naar buiten.
‘Nou ja, we hebben niet gevochten of zo. Maar er zijn wel een paar harde woorden gevallen. ‘“Ik moest toch een hobby zoeken na m’n pensioen.”’ Ze bauwde zijn stem weer na. ‘Modelspoorbouw, dat klonk wel aardig. Een locomotiefje met een paar wagonnetjes door een Zwitsers dal. Daar kon ik de charme nog wel van inzien… Maar voor ik het wist moest dus de hele achterpui opgetrokken en het dak vervangen worden om zo’n beetje alle alpen op de zolder kwijt te kunnen. Inclusief een tunnel. Ja een tunnel! Dat moest opeens. God mag weten waarom.’
Ze snoof.
‘Je hebt geen interesse voor wat mij bezighoudt…’ herhaalde ze, nog lijziger dan de eerste keer. ‘Weet je wat ik zei? Ik zei: “rij die trein lekker je eigen tunnel in. Hoeven we niks te verbouwen.”’
Ze keek opzij. Ik keek voor me.
‘Ja, dat was misschien té hard… Hè? Nou niks… Hij liep weg en nou zit-ie al dagen op zolder. Het enige dat ik hoor is af en toe het fluitje van die locomotief…’