Toen de veerman van de pont naar Brakel-Herwijnen (of andersom) in zijn eigen dialect mijn vraag nog eens samengevat en herhaald had – ‘Gameren?’ – klonk het niet als een plaats waar je zou kunnen verdwalen. Maar ik deed het toch. En om een of andere reden vroeg ik telkens de weg aan mensen die nog nooit van de Veestraat hadden gehoord. Hoe bizar was dat?
Eerst was er een keurige meneer met een wandelstok die mij in een deftig soort Nederlands zei dat hij me tot zijn spijt moest teleurstellen. Daarna was er een oude mevrouw die een nog oudere mevrouw in een rolstoel voortduwde die (de eerste oude vrouw) zei dat ze geen Gamerse was (wat ik wel een mooi woord vond, Gamerse, maar wat me ook meteen hoofdbrekens koste, want hoe noem je dan een man uit Gameren, een Gamer, Gamers, Gamert?, allemaal benamingen die me niks leken, of die zelfs een reden zouden zijn om te verhuizen, vond ik, in ieder geval een reden om er niet te gaan wonen) en die toen ik al weer op de fiets zat en wegreed alsnog aan de vrouw in de rolstoel vroeg of zíj wist waar de Veestraat was zodat ik het antwoord niet hoorde. De derde was een hardhorende man met twee piepende gehoorapparaten die boos werd toen ik mijn stem verhief (ook lastig in de omgang en communicatie, als je zo’n gebrek hebt, leek me, maar daar ben ik maar niet over begonnen, het was al ingewikkeld genoeg allemaal). Ten slotte vroeg ik het een man en vrouw van mijn leeftijd die met hun kleinkind op een bankje in een park zaten om witbrood aan de eenden te voeren. De man wist wel waar de Veestraat was, maar de vrouw ook (of andersom) en dat leverde na veel vieren en vijven een paar wegen erheen op. De routeplanner in mijn auto op geeft er altijd drie en ik kies dan meestal gewoon de bovenste want om daar nou ook een mening over te hebben… het hele punt is nou net dat ik die niet heb, ik vraag toch niet voor niets de weg? Maar goed, het echtpaar gaf me geen lijstje met routes, maar gedetailleerde beschrijvingen van de verschillende paden en lanen die me naar de Veestraat zouden leiden. Ze vertelden welke van hun vrienden en kennissen ik onderweg zou kunnen tegenkomen omdat die daar woonden; op de hoek van de Prinsenstraat woonde Kees, maar die was niet thuis want een fervent visser (waardoor ik hem dus niet tegen zou kunnen komen, maar het leek me te bijdehand om hen daar op te wijzen), en op het einde van de Kerklaan was een pleintje waar hun achternicht een houtzagerij had. Hoe dat pleintje heette, wisten ze niet, wat niet gaf, want daar hoefde ik toch niet te zijn, dat wil zeggen, ik moest het diagonaal oversteken om in de Graansteeg te komen, en dan de derde straat links te nemen.
Zei de man.
De vrouw betwistte dat. Zijn aanwijzingen, bedoel ik. Ik hoefde helemaal niet naar dat pleintje, maar als ik dat dan toch deed, moest ik in de Graansteeg de tweede links nemen en niet de derde.
Dat zag de man anders. enm, u raad het al, ze kregen ruzie, te beginnen met een woordenwisseling. Ik stond erbij en keek ernaar. Zoals ook hun kleinkind en de eendjes. Uiteindelijk onderbrak ik hen maar, gaf ik een samenvatting van alle routebeschrijvingen, en zei ik dat ik daarmee wel verder zou komen (wat natuurlijk altijd wel waar is, ‘verder’ is een rekkelijk begrip).
Toen ik het parkje uitreed, riep de vrouw nog: ‘de tweede links!’
Ik keek om en zag dat de man haar een klap gaf. Of nou ja, hij wilde zijn hand voor haar mond houden, maar dat pakte niet goed uit. Te bruusk. Hoe dan ook, de vrouw keek alsof ze geslagen werd…
Precies zoals de moeder van de jongen in de bezoekerszaal van het huis van bewaring aan het Wolvenplein, ergens in 1986.
Ja, sorry, abrupte en onverwachte overgang, het verhaal maakt hier een draai van 180 graden, maar ik zag haar opeens weer voor me… hoe ze haar kapotte bril vasthield om te zien waar vier bewaarders haar zoon heendroegen en hoe ze naar de deur bleef staren tot zijn geschreeuw langzaam in het gebouw verdween.
Een vijfde bewaarder had een glaasje water voor haar gehaald en was bij haar blijven zitten.
‘Hij zei dat ik de duivel was’, fluisterde de vrouw.
De man knikte en zei dat haar zoon in iederéén wel eens de duivel had gezien, zomaar opeens, en dat-ie die dan ook te lijf ging. Hij kon het niet tegenhouden.
Schrale troost. Voor haar, voor de zoon.
Dacht ik toen en dacht ik weer, in Gameren.
Ik fietste verder, het dorp uit, de dijk op, het maakte me niet uit waarheen. Verdwalen, dat leek me eigenlijk helemaal geen slecht idee.
