
De oude man had zijn half vergane oranje grote-mensen-driewieler voor de behangpapierwinkel van Priem in Gent geparkeerd en was op een zwarte kist ernaast gaan zitten. Van ver leek het alsof hij op een troon zat. Een beetje zoals Solomon Burke vroeger, op een zetel. Maar dichterbij bleef er van de vergelijking niets over, want de man was alles behalve majesteitelijk, zelfs niet op de schertsmanier van Burke. Hij droeg een bleek geruit houthakkershemd onder zijn vuile fleecejack, een donkerblauwe vettig glimmende trainingsbroek met opgerolde pijpen, en ongeveterde wit met zwarte Adidasschoenen (Run DMC!) aan zijn voeten, die hij als ankers voor hem op de kaseien had gezet. Daartussen lag een hoed met een steen erin.
Want hij speelde viool.
Met zijn ogen gesloten, roerloos, op zijn armen en handen na, die hij in alle rust hun gang liet gaan, misschien omdat hij niet anders kon, misschien omdat hij wist dat het wel goed zou komen.
Dat laatste was in ieder geval zo. Het kwam goed. Erg goed. Ik kan hier niet beschrijven hoe goed, maar neem dit als voorbeeld (en denk dan de keurige jongeman met zijn schoonzonenhaar even weg, want daar gaat het niet om).
Zo goed dus.
En mooi.
En wij mochten daarnaar luisteren.
Móésten daarnaar luisteren. Ons afwenden en verder lopen zou heiligschennis zijn. Geld geven eigenlijk ook. Die hoed lag er voor de vorm. Toen ik uiteindelijk naar voren durfde stappen om geld in zijn hoed te laten vallen, speelde hij gewoon door. Hij wist waarschijnlijk niet eens dat ik er was. Kon hem ook niets schelen. Hij speelde om te spelen. Niet voor geld, niet voor mij. Voor niemand. Voor zichzelf misschien.
De vrouw naast mij fluisterde: ‘Het is maar net welke afslagen je neemt in je leven. Ik bedoel, je hebt een god gegeven talent en dan zit je op een dag hier, óf je staat in een zwarte pandjesjas op het Vrijthof in Maastricht je zoveelste Weense wals te spelen’.
Ik dacht aan mijn eigen afslagen. Doodlopende wegen. Rotondes waar ik maar niet af wist te komen. Ja, een versleten metafoor, maar ik was de vorige dag vanuit Utrecht komen fietsen, onderweg hopeloos verdwaald in Antwerpen, om ten slotte in ware doodsverachting langs één rechte lijn naar Gent te rijden over een bizar smal fietspad op het asfalt van een vierbaans provinciale weg, dus de vergelijking tussen levensloop en de weg zoeken was moeilijk te ontwijken.
Mijn conclusie daarna was dat elke weg die je niet zelf gekozen hebt klote is. Da’s niet zo’n heel geweldig inzicht, laat staan een houdbare stelling, maar ik neem haar niet terug. De tegengestelde bewering is niet veel briljanter, maar ook die schrijf ik ook op, om verder te vertellen over de violist: iedere zelfgekozen weg brengt je dichter bij het geluk. (Kan zo op een tegeltje. En daar dan een foto van op LinkedIn. Ga ik niet doen.)
En de violist leek me eigenlijk volstrekt gelukkig. Bij nader inzien. Ik (en de vrouw misschien ook) was er vanuit gegaan dat de man ergens een afslag gemist had, of een verkeerde had genomen, maar dat was helemaal niet zo. Eindeloos dezelfde Weense walsen spelen wilde hij niet, maar iets anders wat de meeste mensen met god gegeven talenten (of enige andere) doen ook niet. Hij wilde viool spelen voor de behangpapierzaak van Priem in Gent, alleen te midden van publiek dat hij niet wilde zien.
Ik had zijn hele hoed vol met geld willen gooien als ik hem had mogen vragen waarom.
Of nee, hóé. Hóé hij dat voor elkaar had gekregen. Want opeens had ik het gevoel dat ik toch iets gemist had. Een geheim olifantenpaadje, of zoiets.
Dat komt ook weer door dat fietsen. Veel mensen mijmeren vaak: ‘ja, je verstand op nul en dan naar de einder, dan ben je helemaal weg’, maar dat is niet zo. Niks geen verstand op nul. Ja, dat gaat wel op een laag pitje, maar heel stiekem gewoon zijn eigen gang. In mijn geval op zoek naar herinneringen waarvan ik dacht dat ik ze had weggegooid. Dingen die ik vergeten wilde.
Op weg naar Gent waren er zeker tien boven water gekomen.
Ze gaan meestal over situaties die ik verkeerd aangepakt heb. Daar heb ik er nogal wat van. En telkens als mijn verstand zoiets dan weer treiterig voor me afspeelt, souffleert een stem in mijn hoofd – mijn verstandiger ik, waarschijnlijk – wat beter ware geweest.
Meestal is dat: ‘Nee! Niet doen!’
Daar had ik natuurlijk niks aan, ik wilde weten wat wél moest doen.
Maar goed, ik ging dat niet aan die man vragen.
Op de terugweg verdwaalde ik dus weer. En kwam ik geheel onbedoeld in de St. Annatunnel terecht, zakte via de mooiste roltrappen van de hele wereld 31 meter onder de grond, naar een grote buis van zowat een eeuw oud, alleen voor voetgangers en fietsers, die allemaal net als ik hun lol niet op konden, zo leuk was dit.
Een weg zonder afslagen.
Hm, die is te makkelijk.
Ik laat ’m toch staan.
Maar de stelling over wegen die je niet zelf gekozen hebt, neem ik terug. Die zijn niet allemáál klote.