
Lef, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Te veel, als u het mij vraagt, want als iedereen bij het minste of geringste om lef roept, wordt bij mij ergens in mijn achterhoofd de argwaan wakker. Ik heb eens een hoge ome tegen een hele zaal vol ondergeschikten horen juichen dat er meer lef nodig was. Ja, dat was zo. Je had al heel wat nodig om zijn kamer binnen te stappen.
Ik bedoel maar, de een z’n lef is de ander z’n schroom.
Toen ik eindexamen deed, ging het verhaal dat ooit de opdracht voor het essay (onderdeel van Nederlands) was: schrijf een verhandeling met als titel ‘Wat is lef?’ en dat iemand een tien had gekregen voor een opstel van één zin: ‘Dit is lef’.
Het was misschien een broodje aap, maar dat doet er niet toe, want de crux van het verhaal is dat verandering niet om lef gaat, of om durf, moed, of – mooi romantisch woord – over vermetelheid, maar om verrassing. Lef en soortgelijke eigenschappen helpen wel, maar alleen om iets te doen wat niemand verwacht. Lef zonder een daarop volgende verrassing is gewoon stoer. In een bak met ijs zitten is stoer, maar niet meer dan dat (ja, nutteloos, maar dat is mijn mening).
Ik pleit daarom voor out of the blue in plaats van out of the box, want out of the box is meestal gewoon into another box. Da’s eventjes hip, maar al snel gewoon.
Out of the blue is nooit gewoon. En dat is goed.
Beter.
Wat voor out of the box geldt, gaat ook op voor ‘buiten de gebaande paden treden’, daar hoor je ook iedereen over. Klinkt ook heel dapper, maar als je ergens naast gaat lopen, blijf je toch rommelen in de marge. Dan ben je nog steeds bang om te verdwalen, om ergens te komen waar je nog nooit bent geweest. Olifantenpaadjes, ook vaak genoemd, zijn leuk om de weg af te steken, maar ze brengen je niet verder. Laat staan elders.
Trouwens, als ik een olifant was, liep ik gewoon waar ik maar wilde. Want wie gaat je opzij duwen? Olifanten hebben geen lef nodig. Die hebben gewicht. Ja, niet zo subtiel, laat staan weloverwogen, maar meestal gaat een idee voor iets nieuws aan genuanceerd denken ten onder, dus laat zo’n beest zijn gang eens gaan. Een porseleinkast staat vaak alleen maar in de weg.
Hm, nog een laatste metafoor en dan ga ik verder: buiten de lijntjes kleuren. ‘We zoeken mensen die buiten de lijntjes kleuren,’ hoorde ik laatst iemand op de tv zeggen. Pfoe, living on the edge! Maar waarom niet meteen van het papier af? Met je potloden de wereld in en kijken wat er wel een kleurtje kan gebruiken? ’You’ll find the future where ever people are having the most fun.’ Kan zo op een tegeltje, maar dat hoeft niet want er is al een mooie Tedtalk over, kijk maar. Wie speelt, vindt vaak ook iets uit.
Eh, waar was ik? O ja, lef.
Dat is dus niet genoeg. Ik las een interview over bestuurders die lef moesten hebben. Het begon mooi met een oproep om vaker blind in het diepe te springen en maar te zien waar je uitkomt (Alice in Wonderland!), maar al snel verpestte de interviewer (v) het door allemaal ‘ja maar-vragen’ te stellen. Ze haalde de raad van toezicht erbij, en stakeholders en wetten en praktische bezwaren. Het woord transitie viel. Als er iets fnuikend is voor innovatie, dan dat wel; transitie, dat is iets nieuws wat je aan ziet komen. Zoiets is al bij het oude ingelijfd voor je eraan gewend bent. Aan het eind van het interview zaten we weer in a box, nou vooruit, misschien in an other box, op een olifantenpaadje, buiten de lijntjes, maar in het kleurboek.
Jammer.
Dus, ik stel voor dat we verrassingen gaan zoeken. Laten we doen zoals Alice, gewoon nieuwsgierig achter dat konijn aan en de diepte in. Daarna zien we wel.
(Geloof me, ik weet waar ik het over heb, ik ben een zenuwlijder, ik word al gek als ik mijn fruit in de verkeerde volgorde eet, en ik dacht dat verassingen mijn dood nog eens zouden worden, tot ik besefte dat de enige manier om dat te voorkomen een roekeloos leven was. Living óver the edge. Of nou ja, ik spring niet meteen een ravijn in, maar af en toe down the rabbit hole, je moet ergens beginnen.)