
Toen ik pas bij de reclassering werkte (in negentiennegenennegentig! eh… 1999!), kreeg ik op een dag een telefoontje van een jongen die voor school een werkstuk ging schrijven over criminaliteit.
Of hij mij een paar vragen mocht stellen. De eerste was: ‘Hoe veel is de recidive?’
Goeie vraag. Maar een antwoord?
Moeilijk, moeilijk, moeilijk…
‘Wat voor een recidive, bedoel je precies?’ vroeg ik terug. Stilte. Want je hebt recidive en recidive, legde ik uit. Ik gaf een paar voorbeelden. Die herhaal ik hier niet, want hoewel ik er nooit een punt van maak om mijn fouten toe te geven, en ik mijzelf nog levendig voor de geest kan halen met mijn mooie genuanceerde verhaal over speciale, specifieke, algemene, ernstige en weet ik veel welke recidive nog meer (hoogpolige, waarschijnlijk ook), verdring ik de hele scène liever. Dat ik er hier over ben begonnen is alleen omdat ik naar iets mooiers toe wil. Lees dus vooral door. (wie per se in het bos van de recidive wil verdwalen, zie hier)
Hoe dan ook, het viel de jongen allemaal ook wel wat tegen, geloofde ik, want het bleef daarna lange tijd stil aan de andere kant.
‘Hallo?’
Hij was aan het schrijven. En ik zag dat voor me. Een beleidsmedewerker in spe. Telkens als dat beeld mijn gedachten weer binnenkomt, grijpt wroeging me bij de keel. Ik hoop echt van harte dat hij later iets anders geworden is. Of dat hij in ieder geval eerder dan ik begrepen heeft dat je juist moeilijke dingen makkelijk moet maken in plaats van andersom.
Hij duwde een paar keer op het knopje van zijn pen voor hij de volgende vraag stelde: ‘En hoe laag kan de recidive worden?’
Eh…
Dacht ik.
‘Wat bedoel je?’
Vroeg ik.
‘Kan de recidive ook nul worden?’
Vroeg hij.
Geritsel. Hij pakte zijn papieren erbij: ‘En zo ja, hoe?’
‘Fijne duidelijke en korte vragen.’
Zei ik.
Maar ik had geen antwoord.
Want: moeilijk, moeilijk, moeilijk…
Of nou ja, ik wist het gewoon niet. Er was recidive en er zou recidive blijven. Dat wilde niemand en ik natuurlijk ook niet, maar ja, ik wilde zoveel niet. Of juist wel, dat was maar net hoe ik het bekeek.
Dat deed ik erg veel. Bekijken. Er naast staan en er naar kijken.
Analyseren heet dat. Dat kan ik goed. Vaak is dat handig, net zo vaak moeilijk (x 3).
Ik weet niet meer wat ik de jongen heb geantwoord. Dat heb ik écht verdrongen. Maar hij was blij met het antwoord, kan ik me herinneren. En ik heb daar tot de dag van vandaag spijt van gehad. Want het was natuurlijk een kluitje in het riet. En nog erger, een kluitje waar ik mijzelf ook mee het riet instuurde.
Daar bleef ik zeker een paar jaar. In ieder geval tot minister Donner in 2002 opschreef dat ze omlaag moest, die recidive (in zijn de nota Naar een veiliger samenleving). Mooi streven, maar de ene helft van de mensen vond dat hij nogal moeilijk (x 3) deed over hoe laag dan precies (“indicatief – circa 20% tot 25% vanaf 2006 in het vizier”, schreef hij) en de andere helft zei dat het nooit zou lukken.
Want er was nou eenmaal recidive en die zou er altijd blijven.
Ik hoorde trouwens bij de eerste groep. En eigenlijk vind het nog steeds een vaag doel. Heb ik al eerder over geschreven (hier).
Maar vaag of niet, het lukte wel. Kijk maar rond: dalende criminaliteit en minder mensen die zich onveilig voelen. Op het lijstje van onderwerpen die de nieuwe regering volgens Nederlanders moet aanpakken is veiligheid uit de top drie getuimeld.
Hoera!
Hoera?
Nee, dat is niet genoeg.
Denkt u, net als ik tegenwoordig vaak doe, nog eens terug aan de jongen die mij in 1999 opbelde. En kijk dan weer eens om u heen. Dit is de tijd van epic wins.
Huh?
Een Epic win is een term van gamers. “It is an outcome so extraordinary positive, you had no idea it was possible until you achieved it. It was almost beyond the threshold of imagination and when you get there, you’re shocked to dicover what you’re truly capable of.”
En dit is een citaat van Jane McGonigal. In een van haar Tedtalks legt ze uit hoe we met gamen de wereld kunnen veranderen.
Over epic win gesproken
Ik wil ook een epic win.
Ja, dit is de tijd waarin mijn moeder eindelijk gelijk krijgt: ‘kan niet’ ligt op het kerkhof en ‘wil niet’ ligt ernaast. Mijn moeder is en was altijd een gamer, besef ik nu, want “gamers always believe that an epic win is possible and that it’s always worth trying and trying nów.” (Die is weer van Jane.)
Dus ik zou zeggen, we gaan voor de nul. Niet indicatief, circa of in het vizier, maar doodgewoon nul (0!).
Hoe makkelijk wil u het hebben?
(De foto bij dit blog is van Phillip Toledano)