Mijn arm en ik

contact2

Kort na de operatie mocht ik helemaal niets met mijn arm. Ze hadden hem met een vernuftige draagband en veel klittenband aan mijn lijf geplakt (gefixeerd noemen ze dat, of nog eufemistischer: geïmobiliseerd, wat klinkt als een overheidsmaatregel in oorlogstijd), zodat hij geen kant op kon. Hij kon natuurlijk sowieso geen kant op, dat was de hele makke, maar dan nog moest-ie in bedwang gehouden worden, want van binnen hadden ze nog zo goed en zo kwaad als het kon een paar van mijn losgerukte zenuwen weten te redden – over vernuftig gesproken, dát is echt ongelooflijk – en dan moest ik natuurlijk niet onbedoeld met mijn arm gaan zwaaien want dan trok ik alles weer los.
Zodoende was mijn arm niet alleen gevoelloos maar ook onzichtbaar. Op een halve hand en mijn vingers na, die er samen uitzagen als een opgezwollen paarse bos wortels. Na één eerste blik keek ik daar ook niet meer naar om.
Durfde ik niet
Wilde ik niet.
Ik kon niet anders dan mijn eigen arm verloochenen. Ik voelde hem niet en voelde niets voor hem. Ik prevelde in die tijd zeker een paar keer per dag ‘stomme kut arm’ voor me uit.
Ja, harteloos.
En onbegrijpelijk (ik kon er tenminste met mijn verstand niet bij). Toch was het zo.
Maar ik kon die weerzin niet lang volhouden, want áls de doktoren iets hadden kunnen redden, dan had dat allean maar nut als mijn arm een beetje in conditie bleef, inclusief mijn hand en vingers. Ik bedoel dat alle gewrichten soepel moeten blijven werken, want een ledemaat dat niks doet, wordt stijf, en een ledemaat dat negen maanden niks doet (de tijd die mijn zenuwen minstens nodig zouden hebben om weer aan te groeien, ik schreef het al eerder, snelheid heeft in mijn leven afgedaan), wordt héél erg stijf. Nutteloos eigenlijk. Van een hand blijft dan niks anders over dan een akelig gekrompen klauw die nauwelijks iets kan, en je pols en elleboog verstarren zo dat je met die klauw niet eens op je kop kunt krabben.
Dus of ik nu van van mijn arm en hand hield of niet, ik moest hun aandacht geven.
Liefde.
Want toen de dokter na twee weken mijn arm c.s. bevrijdde en ze in een sling (een soort mitella) hing, kreeg ik meteen huiswerk. Ik moest vijf maal per dag (ja, vijf!, dat is om de haverklap!) op de rand van mijn bed gaan zitten en voorzichting mijn hand tevoorschijn halen, en die in mijn andere nemen om er vervolgens rondjes voor mijn buik mee te draaien. Vijf minuten rechtsom, vijf minuten linksom.
Het was alsof ik met mezelf danste. Wat niet half zo akelig zou zijn, misschien zelfs wel aandoenlijk, als mijn linkerhand even zacht en warm was als mijn rechter. Dat ze zelf niet bewoog was tot daar aan toe, maar dat ze dan ook nog hard en koud deed, dat haalde alle romantiek uit de oefening.
En in het begin stonk ze ook nog. Ja, dat is een van de nevenverschijnselen waar je van tevoren niet bij stilstaat (eh… rare constatering, waarom zou je überhaupt bij zoiets stilstaan?), maar als je arm twee weken onbeweeglijk aan je lichaam gezwachteld zit, gaat hij stinken. Om dit blog voor u een beetje aangenaam te houden, zal ik verder geen details geven. Denk aan zweetvoeten en tenenkaas. Op zich misschien draaglijk, maar als je hánd zo ruikt, wil je het liefst overgeven.
Dat deed ik niet. Nee, in plaats daarvan legde ik haar (ook op last van de dokter) na iedere dans voor mij op een kussen op mijn schoot, om één voor één mijn vingers en duim te masseren, ze op en neer te bewegen, te krommen en te strekken, te herinneren aan wat ze vroeger zelf konden.
Dat is ook voor mijzelf wel handig, trouwens. Want als iemand mij vraagt om eens te proberen zo’n vinger of duim te bewegen, weet ik letterlijk en figuurlijk niet waar ik het zoeken moet. Proberen gaat niet eens. Ik kan gewoon niet vinden waar ik moet beginnen om dat voor elkaar te krijgen.
Kijken naar wat je moet doen, helpt dan zeggen ze.
Om contact te maken.
Dat heb ik weer. Moet ik, tegen al hun koude en harde onverschilligheid in, toenadering met mijn arm, hand en vingers zoeken, en ze dan weer zien terug te laten komen.
Welja… verleiden, moet ik ze.
Niet mijn sterkste punt… contact maken, laat staan verleiden.
Maar goed, een week geleden kon ik mijn T-shirt nog niet eens zelf aantrekken.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.