
In de AH was ik op zoek naar knoflookpasta, bij gebrek aan een pers en omdat ik nog even geen zin had om uit vinden hoe ik met één hand een teentje in stukjes kon snijden. Pick your battles heeft opeens een nieuwe betekenis. Of nou ja, ik heb er battles bijgekregen. Simpele en gewone dingen ontpoppen zich onverwacht als vijandelijkheden. Het hele bestaan is opeens tegen me.
Eh… nee, dat is te somber. Vergeet dat.
Maar koken kan zomaar een veldslag worden als ik niet uitkijk. Dus vandaar knoflookpasta. En gesneden wokgroenten. En blokjes kip.
Ik weet niet of mijn zielige arm er iets mee te maken had, maar er gingen twee jongens op pad om de pasta voor me te vinden, dat wil zeggen, de eerste, die niet wist waar het stond, sterker nog, die niet wist of het béstond, vroeg het aan een tweede, die het wel wist (dat het bestond en wáár het stond, ongeveer dan).
We liepen met z’n drieën door de winkel. Achter elkaar aan, de paden op, de lanen in. Ik kreeg zin om erbij te zingen. Het was absurd.
Maar niet half zo absurd als de scène waar een derde jongen me introk. Terwijl de twee AH-jongens en ik de rekken aftuurden (‘ongeveer’ kwam op zo’n 45 meter ‘schapruimte’ neer) sprak híj me aan om te vragen wat ik mankeerde. Hij wees naar mijn sling. (Dat laatste schrijf ik erbij om te voorkomen dat u denkt dat hij met dat mankeren op mijn zoektocht naar knoflookpasta doelde; had gekund, want ik had dat spul écht nodig, vond ik opeens, en misschien keek ik inmiddels wat koortsig uit m’n ogen.)
Eh… wat ik mankeerde… lang verhaal, dacht ik. Zeker om aan een volstrekte vreemde te vertellen. Ik kon natuurlijk gewoon zeggen dat ik mijn pink gekneusd had, maar dat vond ik niet eerlijk tegenover mijn arm. Ik kon niet zomaar zijn ongeluk te bagatelliseren.
Ja, dat vond ik… raar maar waar. Hij ziet me niet meer staan, maar diep in mijn hart hou ik toch van hem.
Enfin, ik vroeg de jongen waarom hij wilde weten wat er met mijn arm was gebeurd.
Omdat hij voor me wilde bidden.
Dat heb ik weer. Het kon nog raarder.
Hij had al een paar mensen met een gebed weten te genezen zei hij. Eén iemand had terstond zijn mitella afgedaan. En een ander was zonder krukken verder gelopen. Hij keek me aan om te zien wat ik daarvan vond. Hm, wonderbaarlijke genezingen zijn zelden wonderbaarlijk en meestal wetenschappelijk verklaarbaar, maar het leek me zinloos om daar met de jongen midden in de AH over te gaan redetwisten. In plaats darvan gaf ik hem een korte samenvatting van mijn ongeluk en letsels. De onomkeerbare beschadigingen aan mijn zenuwen gaf ik wat extra nadruk, om hem moed te ontnemen. Dat lukte niet. Hij knikte bij ieder detail alsof hij het alvast klaarzette voor zijn gebed; op een lijstje voor God.
Intussen zochten achter mij de twee AH-jongens nog steeds naar knoflookpasta.
’Nee, dat is sáús!’ riep de een naar de ander.
‘Ik snap het,’ zei de jonge gelovige. Dat ging over mijn aandoeningen. ‘Ik ben namelijk ook fysiotherapeut.’
Een beetje inconsequent leek me, maar een kniesoor die daar over begon. Hij leverde gewoon een soort totaalpakket, aardse en bovenaardse behandelingen.
‘Mag ik voor u bidden?’ vroeg hij.
Nu geloof ik niet, maar ik ben geen rabiate atheïst. Dus dat die jongen mij en mijn arm in zijn gedachten zou nemen om dan thuis voor een zelfgemaakt huisaltaar de Heer om mijn genezig te vragen, daar zat ik niet mee. De grote Volksschrijver Gerard Reve deed het ook (ik bedoel bidden voor een huisaltaar) en die kon prachtig schrijven.
Maar dat was niet de bedoeling. Nee, hij wilde God meteen ter plekke aanroepen. En mijn hand vasthouden. Mijn goede hand gelukkig, want om nou zomaar iemand mijn aangedane hand te geven, dat was me net even te intiem, het was allemaal toch al behoorlijk dicht op de huid, voor mijn doen. Maar ik vond het flauw om nu helemaal op mijn schreden terug te keren. Die jongen wachtte met zijn lijstje.
Dus daar stond ik even later, hand in hand met een volstrekte vreemde die God en detail uitlegde wat er aan mij kapot was en wat dus weer heel moest.
In de AH, voor de olieën en azijnen.
‘Ja! Hebbes!’
Dat was één van de twee AH-jongens.
Hoera! Knoflookpasta!
‘Amen.’ Het gebed was af en de jongen liet mijn hand los. Hij opende zijn ogen en keek hoopvol naar mijn andere hand. ‘Probeert u eens,’ zei hij.
Er zat nog steeds geen enkele beweging in.
‘Jammer’, vond hij.
Ik ook.
Maar ik vond het vóór het gebed ook al jammer. Nou hadden we er een teleurgestelde bij. Dat schoot niet op. Gelukkig waren de AH-jongens heel erg blij én met zijn tweeën, zodat het gelijkspel bleef, wat humeuren betreft.
En die avond heb ik voor het eerst in zeven weken weer eens mijn eigen eten bereid. Mét één hand, zónder jammer.
Drie – twee!
Hoera!