
Zeven weken geleden (om precies te zijn: op acht april) opende ik mijn voordeur om mijn racefiets naar buiten te dragen. Ik tilde hem van de beugel in het trapgat, zette hem tegen de gevel, pompte de banden op. Daarna trok ik mijn schoenen aan en stak ik m’n drinkflessen in de houders. Ik gespte mijn helm nog wat strakker. Checkte of ik mijn sleutels bij me had.
Onder andere.
Enzovoorts.
De oude Romeinen keerden op hun schreden terug om hun reis opnieuw te beginnen als zij hun voet stootten bij het verlaten van hun huis, want zoiets was een slecht voorteken en gegarandeerde pech onderweg. Ik heb dat bijgeloof gedurende mijn leven uitgebreid met een hele verzameling van handelingen die ik allemaal netjes moet afwerken als ik op pad ga. Je bent een zenuwlijder of niet. Gaat u er dus maar vanuit dat het lijstje in de eerste zinnen van deze blog veel langer is.
Tergend lang, eigenlijk.
Irritant zelfs.
Ik onderdruk mijn liefde voor lijstjes en ga u daar niet mee vermoeien. Alleen mijzelf. Als ik aan dat ritueel terugdenk, lach ik mijzelf hartelijk uit. Wat dacht ik er eigenlijk mee te bezweren?
Geen ongevallen, dat is wel duidelijk. Sterker nog, als ik toen niet zo had getreuzeld en eerder was vertrokken was alles anders afgelopen… tot zover het nut van dwangneurosen. Ook om te lachen: dat ik daardoor nu pas echt een zenuwlijder ben (ja, pun intended).
Eh… hoe dan ook, die bewuste dag zat ik op een gegeven moment toch eindelijk op de fiets om mijzelf de straat uit te trappen en niets vermoedend mijn huis achter te laten.
Toen ik vorige week thuiskwam, was mijn grootste angst dat ik sporen van dat niets vermoeden zou aantreffen. Ja, daar zag ik tegenop, mijn huis waarin helemaal niets van het noodlot te vinden zou zijn, geen enkel voorteken of verwijzing, nee integendeel, waarin alleen gewone dingen zouden zijn, de dingen van mijn gewone leven, die ik gewoon had achtergelaten om daar op me te wachtten, omdat ik er gewoon vanuit was gegaan dat ik ze weer zou aanraken, oppakken, gebruiken. Dat voetstootse vertrouwen in de rest van mijn leven wilde ik niet tegenkomen.
Maar ik was vergeten dat vrienden, familie en buren bij mij thuis kleren voor me hadden gehaald, spullen hadden gezocht, planten water hadden gegeven… en dat zij zodoende stukje bij beetje mijn niets vermoeden overhoop hadden gehaald. M’n huis was geen time capsule geweest, anderen hadden mijn leven op een of andere manier voortgezet.
Blij toe.
Halverwege de trap besefte ik al dat ik niet bang hoefde te zijn. Mijn huis rook niet zoals het altijd geroken had. Dat was goed. Op de tafel in de huiskamer lag post, in de keuken had iemand opgeruimd, de afwas gedaan. Beter. Het was alsof ik op vakantie was geweest. Weg.
Geweldig.
Niks aan de hand.
Ik ging in mijn leunstoel zitten en keek rond (letterlijk, het is een draaistoel): een flesje smeerolie op het dressoir, een imbussleutel naast een stoelpoot, kettingpons op de leuning van de bank, twee geplakte banden aan de kruk van de kastdeur.
Fiets!
F*ck! Óveral was fiets!
Geen paniek, dat was niet erg want ergens in de vorige weken had mijn verstand alles wat naar herinneringen aan mijn fiets kon leiden met rood-witte linten afgezet. Verboden toegang. We don’t go there.
Blij toe.
Ik haalde mijn gereedschapskist en liep door mijn huis om alle spullen bijeen te zoeken. Pikte en passant een paar sokken, een ondershirt, en mijn regenjackje van de trap.
Niks aan de hand.
Op die vieze vingerafdruk na.
F*ck! Míjn vieze vingerafdruk! Op het lichtknopje!
Op de zevende April had ik tot ver na zonsondergang aan m’n fiets gesleuteld. Ik zag mezelf weer bezig.
Ja, niets vermoedend.