
Mûr de Bretagne, dat is natuurlijk een geweldige naam voor wat ook maar. Als ik niet beter wist zou ik het zo bestellen in een restaurant; een legendarisch gerecht van de streek, ooit bedacht om de lange winters te overleven, nu alleen nog gemaakt voor fijnproevers omdat er veel zeldzame ingredienten ingaan, zoals wilde Berklijsters en het buikvet van Truffelzwijnen.
Maar dat is het dus niet. Wat het wel is, nou daar kunnen de twee jongens van de NOS uren lang op hun eigen subtiele manier over redetwisten. En dat doen ze ook. Want daarvoor zitten ze kennelijk achter de microfoon, om elkaar ingehouden lacherig, maar ononderbroken vliegen af te vangen. Ze hebben over van alles onenigheidjes, die ze vilein tussen de regels van hun commentaar weven.
Ik snap dat wel, hoe zouden ze zich anders overeind houden in die ellenlange sessies van zomaar drie of vier uur waarin tachtig procent van de tijd niks gebeurt. Ze kunnen moeilijk ‘ik zie, ik zie, wat jij niet ziet’ gaan doen, zoals ik vroeger met broer, zus en ouders deed als we in de file stonden.
In Frankrijk.
Ieder zijn eigen Tour de France.
Waar was ik? O ja, de kift tussen die twee jongens van de NOS.
‘Kijk daar gaat Bardet, precies op het goede moment,’ zegt de een.
’Nou het zal mij benieuwen hoe lang hij dit volhoudt,’ zegt de ander.
‘Ah, Kruiswijk rijdt naar voren,’ zegt de een.
‘Ja, dat is alleen om positie te kiezen,’ zegt de ander.
Et cetera.
Waarom doen ze dat? Wat heeft de kijker aan al die speldenprikjes over en weer?
Niets!
De kijker – ik! – wil nuttige informatie. Geen dispuutjes tussen de ene commentator met een theorietje en de andere commentator met een ander theorietje. Ik wil geen theorietjes met elkaar hoeven te vergelijken.
Ik wil eigenlijk helemaal geen theorietjes.
Ja, misschien mag ik daar ook even kort iets over zeggen. Waarom hebben sportcommentatoren altijd theorietjes? Ja, theorietjés. Dat bedoel ik niet laatdunkend. Nee, het zijn gewoon hele kleine theorieën. ‘Ah, ik zie aan het gezicht van Martínez dat hij het anders gaat aanpakken’ is zo’n theorietje. Wat moet ik daarmee? Het houdt me van het voetbal af, want ik ga daar dan over nadenken. Hoe kan je zoiets aan iemands gezicht zien? En wat is ‘anders aanpakken’? Gaat Martínez een basketballer inzetten? Of een kudde dromedarissen? Ik heb geen flauw idee, maar ik ga wel proberen om de stelling te toetsen. Ook al heb ik geen idee waar ik moet beginnen.
Dus als iemand van de commentatorenschool dit toevallig leest: leer die jongens dat af en verbied theorietjes (dit is geen sexisme, alleen jongens hebben theorietjes).
Eh… Mûr de Bretagne. Dat dakje op de u is eigenlijk al geheimzinnig genoeg – ik kon gvd eerst niet eens vinden hoe je ’t kunt typen – maar de jongens van de NOS vinden dat het best nog wel geheimzinniger kan. Eerst gaat de een ons uitleggen dat het dus niet echt een muur is in de zin van een muur, maar dat het dus best wel een steile klim is. Dan vult de ander eigenwijs aan dat Mûr de Bretagne dus eigenlijk de naam van het dorpje aan de voet van de berg is, maar dat het is samengegaan met de naburige gemeente Saint-Guen.
‘Ja, daar rijden we ook doorheen, ik bedoel dus het dorp Mûr de Bretagne’ zegt de eerste weer, ‘maar de klim begint pas buiten het dorp. We gaan na de rotonde rechts, dan scherp links en dan meteen met zeven procent omhoog.’
’Nou, was er niet ook een paar honderd meter vals plat?’
‘Ja, klopt, maar dat is bij de tweede doorgang, na zo’n acht honderd meter, net buiten het bos, waar de weg wat smaller wordt.’
‘Dat bedoel ik, als we langs de oostzijde de Mûr nog eens nemen.’
‘Het is inderdaad voor de kijkers goed om te weten dat we dus twee keer dezelfde berg opgaan, eerst langs de westelijke kant en dan…’
Het is om gek van te worden! En de details! Is TomTom een sponsor of zo? Of Wikipedia?
En als als dat gekissebis nou ergens toe leidde! Welnee! De kijker verdwaalt en alle kift tussen de jongens van de NOS inclusief hun bijbehorende theorietjes verdampen spontaan als zij in de laatste kilometers van de spanning geen zinnig woord meer uit weten brengen en ze ten slotte allebei hijgend de uitslag omroepen om daarin meteen triomfantelijk hun gelijk te vinden.
‘Ik zei dat het bláúw was.’
‘Die hoed van die meneer was ook bláúw.’
‘Welke meneer?’
‘Daar in de verte, met die wandelstok. Ik heb het geráááden! Nou mag ik… ik zie, ik zie wat jij niet ziet en het is beige.’
‘Dat is geen kleur, bijsje, mama dat is geen kleur, toch?’
Et cetera.