Flashback

Bij de cardioloog moest ik op een fiets. Geen echte, maar zo’n hometrainer. Met de helft van mijn kleren uit – ontbloot bovenlijf heet dat in dokterstermen – want ze moesten overal met zuignappen sensoren op me vastzetten, voor een hartfilmpje.
Nou zeg maar gerust hartfílm. Een hele trilogie kwam er uit het apparaat van de mevrouw die de test afnam. Gemillimeterde vellen vol van die onheilspellende bibberlijntjes.
En ik maar doorfietsen.
Onder het bleke licht van de tl-balken.
Naar niks of nergens.
En om het allemaal nog eens lekker dik aan te zetten, hing er recht voor mij een enorme foto van een paar wielrenners die de fijne helling van een of andere Alp aan het beklimmen waren. In verfletste full color, wat het minder in your face, maar des te melancholischer maakte.
Tja… Dit zou allemaal toch ruim voldoende moeten zijn om (eindelijk) eens in tranen uit te barsten en ten overstaan van de nietsvermoedende laborante al het verdriet over mijn zielige arm eruit te schreeuwen.
Dacht ik.
Maar in plaats daarvan fietste ik gewoon door, denkend aan de lente in februari. En aan wat mijn moeder altijd zei als ik haar aan de telefoon had verteld hoe ik honderdzoveel kilometers in mijn korte mouwen en broek en met vers geschoren benen door het onverwachte mooie weer en dito landschap had gereden: ‘Dat pakken ze niet meer van je af.’
Dus wel.
Want, bijvoorbeeld, die geschoren benen herinner me wel, maar de wind langs mijn kale huid niet meer. Ja, hoe weet je dat dan, hoor ik u denken. Okay, anders gezegd: ik weet nog dat het gevoel er was, maar de sensatie zelf is foetsie.
Afgepakt, in mijn moeders woorden. Ik vroeg me opeens af wie die ‘ze’ eigenlijk waren.
Een of andere bende die er op uit was om fijne belevenissen, inclusief herinneringen daaraan, van anderen af te pakken? Storywipers in plaats van storytellers?
Hm… Storywipers… Dat lijkt de naam een minivolkje uit een boek van Roald Dahl. Of het beroep van de ranzige nerds uit die ene film over die vrouw met die ongelooflijk mooie wenkbrauwen.
Maar hoe ze ook heten, ze bestaan, weet ik nu. Dat wil zeggen, hét bestaat, het fenomeen, storywiping. Ergens in je hoofd. In mijn hoofd in ieder geval.
Echt waar.
Ik was nog niet door een motor aangereden of iets in mijn hersenen wiste niet alleen de akeligste momenten van de botsing, maar voor de zekerheid meteen ook alle fietstochten die ik ooit had gemaakt, zodat ik niet associërend van de ene herinnering naar de andere in nare scènes terecht zou komen.
En daar denk ik dus nooit meer aan terug, niet aan de botsing en niet aan die tochten. Ik krijg geen flashbacks waarin ik met mijn zielige arm avant la lettre door de lucht vlieg, nee zelfs niet als een thuisbezorger (m/v) in de Kanaalstraat een kortere weg over de stoep neemt (de kortere weg is het heilige pad voor thuisbezorgers (m/v) en de Kanaalstraat is hun Walhalla) en hij/zij voor de gein tot het laatste moment wacht met mij te ontwijken.
Doet me niks.
En met een brok in mijn keel mijmeren over de wind langs mijn geschoren benen dat doe ik ook niet (wat zonder context trouwens ook een beetje travestueus klinkt, maar dat terzijde). De geur van kettingolie? Ik zou niet weten wat dat is. Het geluid van tot zeven bar opgepompte bandjes over warm asfalt? Voorgoed verdwenen. Panorama’s van eindeloze polders aan de voet van eindeloze dijken? Verdampt.
‘Stopt u maar’, zei de vrouw. Ze trok een laatste vel uit de machine en bestudeerde het. ‘Nou meneer, u bent het fietsen niet verleerd.’
Nee, dat moest er nog eens bijkomen!

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.