Toen ik afgelopen zondag over het jaagpad langs de Krommerijn van Bunnik naar Utrecht liep, kwam me halverwege Amelisweerd een zwemmer tegemoet.
Hij was helemaal bloot. Dat kon ik door het troebele water nauwelijks zien, maar ik wist het toch omdat ik hem kort daarvoor een eindje verderop in het gras naast zijn hoopje kleren had zien staan.
Een beetje zielig.
Zowel de man als zijn hoopje kleren.
Vond ik.
Ik probeerde heel hard niet meteen te denken dat hij een verward persoon was, iemand ‘met een psychische kwetsbaarheid’.
(Wie zou die laffe eufemismen verzinnen, trouwens? En zou die lafaard niet begrijpen dat zo’n rad voor ogen averechts werkt? Als ik ‘zo gek als een prei’ was, dan zou ik echt pissed zijn als iemand me in een of andere vage verzameling van mensen met [vul hier een eufemisme in] zou wegzetten. Want dan was ik meteen mijn eigen hele persoonlijke geestesgesteldheid kwijt.)
Maar goed, terug naar die man. Die ik een beetje zielig vond. Die naakt op de oever van de Krommerijn had gestaan en die niet echt de houding had van een man met onhoudbare levenslust en minachting voor het noodlot, die slome wandelaars zoals mij uitlacht om hun nietige bestaantjes. Nee, de man was geen hedendaagse vitalist die op het punt stond om weer een uitdaging van zijn bucket list te schrappen. Hij leek eerder deemoedig, als iemand die zichzelf een straf heeft gegeven.
Met de schoolslag.
Dat viel me tegen, niet dat die man zichzelf strafte, maar dat hij de schoolslag zwom. En het leek me ook nogal dom. Ik bedoel, als je op een kille en bewolkte zondagmorgen tegen de stroom in een heuse rivier te lijf gaat, dan kom je met de schoolslag niet ver, psychologisch gezien. Het water lacht je schaterend uit voor je je eerste slag hebt afgemaakt. De schoolslag is voor bangerikken.
(Wat me aan de enige keer dat ik mijn oma zag zwemmen deed denken, die was namelijk ook bang, dat haar gepermanente krullen nat zouden worden, zodat ze terwijl ze voorzichtig door het water bewoog (het was géén zwemmen) haar nek uitstak, als een stokstaartje dat voor z’n A-diploma opgaat.)
Maar dat hoorde er misschien wel bij (ik heb het nu weer over de man met z’n schoolslag), want de man onderging de hoon over zijn schichtige schoolslag alsof het zijn verdiende loon was.
De zwemtocht was een boetedoening, dat was me nu wel duidelijk. De een loopt naar Santiago de Compostella en de ander zwemt in de Krommerijn naar Bunnik. Of Wijk bij Duurstede.
En weer terug. Want zijn kleren lagen immers op de walkant in Amelisweerd inclusief een deprimerend armoedige theedoek waarmee hij zich zou gaan afdrogen. Zielig kan nog zieliger, dacht ik, toen ik er langs liep.
‘Nog zieliger!’ riep de wind en hij blies de theedoek van het hoopje.
Ik erachteraan.
Nu moet u weten dat ik tegen dingen praat. Ik weet niet waarom, maar ik doe het. Ik voer complete conversaties met wat ook maar. Ik heb een vaag vermoeden dat het beter voor mijn gemoedsrust is.
‘Hé,stomme theedoek!’ riep ik, terwijl de doek zich dansend in de wind ontvouwde. Dat was een mooi gezicht, maar ik had niet zoveel tijd om ervan te genieten, want hardlopen over een hobbelig paadje met een plotseling loodzware bungelende linkerarm, die telkens precies de andere kant op wilde, ging eigenlijk niet. Wat ik dan wel weer grappig vond (omdat ik mezelf daar zag wankelen achter die stomme theedoek aan).
‘Kom terug!’ Dat klonk hulpeloos en galmde bovendien naargeestig over het water het bos in.
Ik was inmiddels weer in de buurt van de man. Die keek om, precies op het moment dat ik zijn theedoek uit de lucht greep.
‘Hé, blijf van mijn theedoek af!’ riep hij. Dat was niet de reactie die ik verwacht had.
‘Hij vloog weg,’ antwoordde ik.
‘Ja hoor, een vliegende theedoek. Moet ik dat geloven?’ Ik haalde mijn schouders op. De man watertrappelde en inspecteerde mij. ‘Ben je wel helemaal 100? Imbeciel! Met je rare armpje’.
Imbeciel, dacht ik, dat woord hoor je niet vaak meer.
‘Ben je doof of zo? Hé! Kapitein Haak! Leg die doek terug!’
Ik knikte en keerde om, terwijl de man bleef schelden.
Nee, geen boetvaardige man die van zich zelf voor straf naar Wijk bij Duurstede moest zwemmen, leek mij. Ook geen persoon met een psychische kwetsbaarheid. Met een kort lontje, dat misschien wel.
p.s. Mijn motto, of eigenlijk dat van mijn moeder, of tenminste één van haar motto’s, iets wat ze me vaak zei toen ik klein was, is dat het leven niks is als je je niks verbeeldt. Mijn interpretatie daarvan is dat je er af en toe iets moet bijverzinnen. Dus voor de goede orde: die man zwom daar echt, en zijn kleren lagen echt op een hoopje aan de oever, lullig theedoekje bovenop. En dat theedoekje waaide echt weg, maar ik wist het meteen te pakken, nog voor het zich in de wind kon ontvouwen, en legde het terug met een mooie zwerfkei erbovenop.
Hoe saai is dat?
Dus vandaar.