Allenig

‘Kijk, daar is-ie!’ zei de dokter. Júíchte de dokter.
Mijn biceps. Daar was mijn biceps. Ik had ‘m zelf weten te vinden en weer tot leven gewekt.
Of nou ja, dat laatste had de dokter gedaan. Eigenlijk. Een jaar geleden. Met een operatie. Maar daar kon ik me niet zoveel meer van herinneren. Kon ik niet of wilde ik niet, dat wist ik niet.
Het was iets wat ik had willen vergeten, maar toch ook niet kwijt wilde, al wist ik niet waarom (noch het een noch het ander had me gerustgesteld), zodat ik het dan maar ergens in een of ander achterafkamertje van mijn hoofd had opgeslagen zonder er verder over na te denken, dat wilde ik ook niet, er over nadenken, ik zou wel merken of het weer boven water zou komen.
En zo ja, hoe.
‘Boven water komen‘ was misschien geen goede beschrijving, dacht ik later. Nee, het zou waarschijnlijk met alles wat erbij hoorde (wat dat ook wezen mocht) mijn gedachten binnenrazen als een kudde wilde paarden, een zwerm nijdige bijen, een speelplein vol ontembare kinderen op zo’n middag waarop het maar niet wil gaan regenen, ondanks alles.
Maar zo ging het niet. Ik klikte iets aan op het internet en het was al te laat om weg te kijken. De foto greep me bij mijn lurvenen ik móést er naar kijken, naar de complete silence in the room as the surgical team absorbed the graivity of their mission.
Die stilte, die herinnerde ik mij opeens weer. En dat iedereen die ging helpen bij mijn operatie plechtig om me heen stond, terwijl de dokter vertelde wat ze zouden gaan doen, niet aan mij, maar aan de anderen, waardoor ik stukje bij beetje verdween tot ik zo alleen was als ik nog nooit was geweest.
Allenig.
Een woord van mijn moeder.
‘Wat zit je daar allenig?’ vroeg ze me bijvoorbeeld, toen ik klein was, als ik gewoon ergens in mijn eentje zat (wat nogal eens gebeurde, sans regrets). Maar doordat ze het altijd een beetje bezorgd vroeg, begreep ik dat woord op den duur precies andersom, niet als een zachtere vorm van alleen, maar juist als een vergrotende trap. Allenig, dat was nog allener dan alleen.
En nog erger dan eenzaam.
Want alleen, dat is zonder anderen, en eenzaam is zonder anderen terwijl je dat niet leuk vindt, maar allenig, dat is dat anderen je niet zien (denk je), dat je íéts bent in plaats van iemand.
Hm… zó erg was het niet in mijn jeugd, maar in de eerste dagen na mijn ongeluk wel. Toen was ik allenig.
En eigenlijk begreep ik dat wel. Ik wist van voren niet dat ik van achteren leefde, en als ik al ergens bewust mee bezig was, dan was het met óverleven. Dus communiceren met anderen, sowieso al een dingetje in mijn leven, dat zat er echt niet in. En dat kwam degenen die mij gingen helpen te overleven (de anderen), dan weer goed uit, want ze moesten snel handelen. Veel tijd om dingen uit te leggen was er niet.
Dus ik was iets waar je in allerijl de kleren vanaf knipt, iets wat je met laken en al met z’n vieren van het ene bed naar het andere tilt (‘bij drie… één, twee, drie!’), waar je naalden in prikt, slangen aan vastplakt, iets wat je door eindeloze koude gangen naar een operatiekamer rijdt, om daar tenslotte in ‘volkomen stilte het gewicht van wat je met z’n allen zou gaan doen in je op te nemen’.
Terwijl ik daar lag.
Allenig.
Een halve dag lang.
Toen ik eindelijk weer bijkwam, was de dokter juist aan zijn zaalronde bezig. Hij keek om en riep: ‘Kijk, daar is-ie!’, Hij kwam naar me toe kwam en legde zijn hand op mijn goede arm. ‘Daar bent u weer!’
Ik knikte. ‘Ja, daar ben ik weer!’

P.S. U kunt me geloven of niet, maar ik had nog niet de laatste punt achter deze blog gezet, of de afspeellijst waarnaar ik aan het luisteren was, schotelde me dit voor (Lonely House, Abbey Lincoln). Let vooral op deze regel: ‘Funny you can be so lonely with all these folks around’

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.