
‘Blijft u even hangen, meneer Poort,’ zei de rechter. Dat deed ik. Ik hoorde niets. Erg lang niets. Tot hij het nog eens zei: ‘Blijft u even hangen.’
Stilte.
(Flashback.) Twee jaar geleden begon ik aan een verhaal dat maar niet verteld wilde worden. ‘Slachtoffer tegen wil en dank’ was de werktitel. De eerste alinea stamde uit de zomer van 2018, daarna schreef ik er nog wat bij, waarvan ik de helft weer schrapte, om tenslotte met twee alinea’s te blijven zitten. Anderhalf eigenlijk.
Tot ik een brief kreeg van het openbaar ministerie omdat ik een slachtoffer was/ben (ik ga dat nog uitleggen) van een verkeersongeval en de verdachte voor de rechter zou komen. Toen móést ik wel gaan schrijven, want ik had spreekrecht aangevraagd, omdat ik iets wilde zeggen, al wist ik niet wat.
Niet veel later zat ik weer naar die oude alinea te staren:
Ik ben een slachtoffer. Ja, ik schrijf het maar even luid en duidelijk op, want ik had het ook niet meteen in de gaten. Als ik geen handvol gemiste oproepen en een voicemailbericht van een meneer van Slachtofferhulp Nederland had gehad die me mededeelde dat hij me een handvol keren had proberen te bereiken en dat hij me nu een brief ging sturen, dan wist ik nu nog niet beter dan dat ik was aangereden door een motor.
Punt.
Niks punt. Dat had ik gedacht. Want rechtszaak. Dus schreef ik verder (vorig weekend, twee jaar later). En schrapte, knipte, plakte, enzovoorts. Tot ik er gek van werd en geen letter meer kon zien.
De voicemailberichten stonden twee weken op mij te wachten terwijl ik lag bij te komen van twee operaties en ik van voren niet wist of ik van achteren nog leefde en andersom. De brief die de man beloofd had, lag eerst een paar dagen op mijn mat en daarna een week op mijn tafel in de huiskamer, samen met de andere post die mijn buurvrouw bijeen had geraapt.
(Dat was een beetje droevig, vond ik.)
Het was een heel vriendelijke brief, maar er stond niet in waar en hoe ik kon opzeggen. Het leek me namelijk niks, slachtoffer zijn. Ik vond die twee weken eigenlijk wel lang genoeg. Ik surfde rond op hun website, maar ook hier nergens een formulier om je uit te schrijven.
Dus ik belde maar eens op.
Dat hielp. Ik kreeg een vrouw aan de lijn die meteen zei dat ze even langskwam. Om te helpen. Dat was waar. Ze kwam langs en ze hielp. Op Hemelvaartsdag nog wel. Voor ik het wist was er van alles geregeld en was ik geen slachtoffer meer.
Besloot ik.
Case closed.
Not.
Niet. Want letselschade. Of eigenlijk, letsel en schade.
Korte samenvatting van het letsel: negen gebroken ribben, vier (half) afgescheurde zenuwbanen, een verbrijzelde schouder en een ingeklapte long. En de schade: mijn racefiets kon naar de schroot. Dat bleek nog wel een dingetje. Tot mijn eigen verbazing liet ik het wrak twee jaar op mijn balkon staan zonder ernaar om te kijken. Pas drie maanden geleden had ik er opeens genoeg van en zette ik het aan de straat.
Samen met mijn vergane tuinmeubels bij het grofvuil.
Ik nam een foto en ging weer naar binnen. Toen ik de trap opliep, dacht ik bij mezelf: het zou helemaal niet raar zijn als ik nu in huilen uitbarstte. Maar dat deed ik niet. Sterker nog, ik was blij dat ik eindelijk afscheid genomen had.
Trouwens, heimwee naar het fietsen heb ik, alweer tot mijn eigen verbazing, helemaal nooit gehad. Dat vond iedereen heel knap van me, terwijl ik niet wist hoe ik het deed. Ik was nog niet aangereden of mijn verstand wiste niet alleen de botsing, maar voor de zekerheid ook meteen alle fietstochten die ik ooit had gemaakt, zodat ik niet associërend van de ene herinnering naar de andere in nare scènes terecht zou komen. Daar denk ik dus nooit meer aan terug, niet aan de botsing en niet aan die tochten. Die foto van mijn fiets heb ik ook nooit meer bekeken.
Zie je wel, dacht ik, ik ben helemaal geen slachtoffer.
Hoera!
Niks hoera.
Ik heb namelijk ook nog zo’n beetje mijn hele leven moeten omgooien.
Wel ja.
Vanwege die afgescheurde zenuwen. Letsel. Een linkerarm die niets meer deed (doet) behalve pijn.
Ik zal u niet vermoeien met de details van mijn omgegooide leven, maar denk aan: veel steelpannen, een schaar als je beste vriend (daar kun je namelijk zo’n beetje alles mee openkrijgen), tegen de computer praten in plaats van typen, instappers in plaats van veterschoenen, terugkijken naar mensen die naar je zielige arm staren, ritsgulpen in plaats van knoopgulpen, naar de buurvrouw lopen met een pot pindakaas die je niet open krijgt, overal trapleuningen aan de rechterkant, et cetera. En daar dan de bonnetjes van bewaren, want al dat gedoe kon ik declareren.
Ik moest ook van alles opnieuw leren. Zoals fietsen. Op een damesfiets met extra lage instap. Dat was wel even wat anders dan de goddelijke Fondriest waarmee ik vroeger langs velden en wegen raasde. Truttiger kan eigenlijk niet, dacht ik, tot mijn zoon zei dat het net een Lowrider was.
Dus hip.
Dat hielp. Zoals het me eigenlijk altijd hielp (helpt) om de dingen van de zonnige kant te bekijken. Positief. Bizar dat het me lukt, want van huis uit ben ik helemaal niet zo vrolijk. Vóór het ongeluk was ik eigenlijk nogal somber. Iemand die veel over de dingen nadacht. Een denker en meestal een doemdenker. Peinzen, daar was ik erg goed in. Ik leefde hele dag vooral in mijn hoofd.
De botsing heeft me daar in één klap uitgeslingerd. Ik doe veel meer en ik denk veel minder. Proberen is mijn tweede natuur geworden. Het leven is opeens een avontuur en ik sla mij er monter doorheen.
Zo’n aanrijding is natuurlijk wel een rigoureuze manier om een positieve draai aan je leven te geven, en ik zou het ook niemand aanraden, maar het is wel gebeurd. Op een vreemde (en soms griezelige) manier heeft het me wijzer gemaakt.
In de ambulance op weg naar het ziekenhuis popelde ik eigenlijk al om te gaan uitvinden wat ik met driekwart van mijn lichaam allemaal nog zou kunnen. Echt waar! Misschien ben ik wel nooit een slachtoffer geweest, of alleen heel even, toen ik op het gras van de dijk weer bij bewustzijn kwam en naar mijn arm keek. Mijn arm die opeens mijn arm niet meer was. Daarna stond ik op en ging ik verder met mijn leven, als het ware.
Dus ik wil hier de hele zaak graag afsluiten. Als ik al ooit een slachtoffer was, dan vanaf nu niet meer.
Punt.
Zei ik. Sprak ik. In de telefoon van de rechter, die hij op speaker had gezet en bij zijn microfoon hield, zodat iedereen mij kon horen. Hij had mij opgebeld omdat er iets mis was gegaan met de brieven die ik had gekregen waardoor ik nog thuis zat terwijl de rechtszaak begon en ik nog steeds thuis zat toen mijn spreekrecht begon.
En nu zweeg ik even. Ik had lang nagedacht over wat ik tegen de man op de motor wilde zeggen. Veel geschreven en geschrapt en uiteindelijk een paar zinnen over gehouden.
Mijn aanrijder, noem ik u wel eens, omdat ik geen betere naam weet en u ook niet ken. Dat is misschien wel jammer. Weet ik niet.
U heeft in ieder geval mij nu een beetje leren kennen en ik hoop dat u door dit hele verhaal en de toon waarop ik het vertel, begrijpt dat ik u niets verwijt. Ik zou niet weten wat en ik vind het zonde van mijn gemoedsrust om er naar te gaan zoeken.
Spinoza zegt: ‘haat kan nooit goed zijn’.* Hij heeft er een waterdicht bewijs voor, maar ik weet het nu uit eigen ervaring: het is waar. Ik haat u niet en daar ben ik blij om. Ik hoop u ook. Het maakt het leven namelijk een stuk makkelijker en leuker om te leven.
Laten we dat dus maar gaan doen.
Ik bleef hangen. Probeerde te horen wat er gebeurde.
‘Het grijpt meneer erg aan,’ zei de rechter tegen mij. Na nog een stilte hoorde ik hem vragen: ‘Wilt u misschien iets tegen meneer Poort zeggen?’
‘Ja,’ antwoordde de man. Hij klonk ver weg en na wat geruis begon de adhoc geregelde ‘rechtspraak op afstand’ te haperen en verstond ik hem niet meer. Alweer liet de rechter het er niet bij zitten. Hij legde mij uit wat de verdachte had gezegd, namelijk dat het hem speet dat hij mij nooit had opgezocht.
‘Maar dat kan nog steeds,’ zei ik.
‘Mag ik meneer dan uw telefoonnummer geven?’
‘Ja, waarom niet?’
Dus wordt vervolgd.
Niks punt.
P.S. (22 december 2020) inmiddels hebben we contact gehad en afgesproken elkaar te ontmoeten in het nieuwe jaar.
* Voor de liefhebber: Ethica IV, stelling 45