Zevenblad

De man die mij samen met een vrouw tegemoetkwam, zei toen ze langs me liepen: ‘Met name zevenblad, want dat is zo’n beetje het ergste onkruid dat er is’.
Verbolgen.
Op zo’n toon van: ben ik nou de enige die dat begrijpt?
De vrouw beaamde zijn stelling: ‘Inderdaad, ja.’
Hm…
Een typische Bob den Uyl-zin. Voor wie het niet weet of is vergeten, hier nog even de definitie: Een Bob den Uyl-zin is een zin die je ergens op straat of in een café of Joost mag weten waar hoort en waar je dan de hele godvergeten dag over blijft peinzen. Een hele zin dus; geen los woord of een flard, en ook niet een paar zinnen achter elkaar, nee, een hele alleenstaande zin, die net te weinig informatie bevat om meteen te begrijpen waar het over gaat, maar ook weer net teveel om hem te vergeten.
Ja, ja, de oplettende lezer heeft opgemerkt dat ik de definitie al meteen heb opgerekt, want wat ik hoorde was eigenlijk een Bob den Uyl-dialoog.
Een kniesoor die daar op let.
Goed.
Zevenblad, dus.
Ik heb dat even opgezocht, want ik ben niet zo heel erg botanisch aangelegd (en dat wil ik eigenlijk ook zo houden, want dat is écht niet sexy; een stelling die ik met weerzin onderbouw door de all terrain-sandalen van de man te noemen (nu ziet u ze ook voor u), en zijn volslagen wanhopige happy socks).
Zevenblad kan dan onkruid zijn, het is ook eetbaar. Te bereiden als spinazie. Zomaar gratis uit de berm te plukken. Dan vind ik onkruid een onaardige naam. Zeker in de combinatie met ’Zevenblad’, wat ik nogal dreigend vindklinken, vraag me niet waarom. Maar het lijkt me dus wel echt typisch dat de man deze naam koos terwijl dezelfde plant ook wel tuinmansverdriet heet. Ja, dat is dan weer een beetje droevig, maar wel veel poëtischer. Ik zie die tuinman daar staan, naast die planten, met de tranen in zijn ogen. En dan niet omdat hij er niet tegenop kan wieden, maar omdat zijn geliefde die hem verlaten heeft het onkruid altijd opwaardeerde tot bloemen en als het maar even kon er een paar boeketten van in huis zette. Tot ze ervandoorging dus. Niet alleen omdat haar man de planten het liefst wegschoffelde voordat zij ze kon plukken, maar ook, en vooral ook, omdat haar man kennelijk vergeten was dat ze ook in haar bruidsboeket een paar takken zevenblad had laten steken. Háár verdriet (vrouw-van-de-tuinmans-verdriet) was dat die verwijzing telkens aan hem ontging.
Terug naar die man die langs mij liep. Of nee, liever terug naar die vrouw die hem gelijk gaf. Bij nader inzien vond ik dat laf. Dat wil zeggen, het klonk laf, alsof ze geen zin had om hem tegen te spreken. Ze kende hem nu eenmaal, wat Zevenblad betrof was hij niet te vermurwen.
Dus: ’inderdaad, ja.’
Voor je het wist, ontstak hij in woede en stortte hij drie volle colleges over ’Onkruid in West-Europa en in Nederland en België in het bijzonder’ over je uit. Hij was namelijk professor, dat kon niet missen. Hij had de air van iemand die heel veel weet van weinig. Op zijn 18e was hij dit rabbit hole ingekropen en er daarna alleen nog maar uitgekomen om te vertellen wat hij allemaal wist.
Bijzonder hoogleraar wieden, in Wageningen.
En zij?
Eerst kwam ik alleen op klassieke rolverdelingen; hij professor, en zij een laboratoriumassistente. Of zoiets. Ja, schandelijk traditioneel, het spijt me. Daarna bedacht ik dat ze alle twee Wetenschapper waren. Hij professor in het onkruid en zij professor in de kruiden (hm, nog steeds niet zo origineel, maar ik schrijf gewoon wat in me opkomt, dat is voor mij het leukst). En misschien waren ze de contouren van hun vakgebieden aan het bepalen om te voorkomen dat ze heibel kregen over grensgevallen. Ze had hem gewoon gelijk gegeven om er vanaf te zijn. Dat Zevenblad geef ik hem, had ze gedacht, met alle twijfelachtige planten waarover ze nog moesten bakkeleien in het achterhoofd.
Uitgekookt! slim!
En de man had het niet in de gaten, ik hoorde hem achter mij doorzeveren over hij het halsstarrige Zevenblad dat uit geen tuin te verjagen was. Hij wilde nog meer gelijk.
Omdat we kennelijk het zelfde rondje liepen kwam ik hen later weer tegen. Ze hadden het nog steeds over Zevenblad.
De vrouw glinlachte en zei: ’toch vind ik het best een mooie plant.’ De man bleef staan en keek haar aan. In afgrijzen. ’Ja, het kan een boeket droogbloemen echt helemaal opfleuren!’

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.