
Hét gesprek, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Mensen zeggen dan bijvoorbeeld: ‘het is wel goed dat we nu eindelijk het gesprek voeren’. Of: ‘ ik denk dat we daar eerst het gesprek over moeten voeren’.
Hét gesprek.
Niet één gesprek, of ’n gesprek, nee, hét gesprek. Alsof er een speciaal gesprek is dat we moeten voeren. Maar welk gesprek is dat dan?
Geen flauw idee.
Ik zit dus altijd een beetje glazig te kijken als iemand het over hét gesprek heeft, zeker als ik het ook moet voeren, want ik denk altijd dat ik dan niet opgelet heb toen het ter sprake kwam, of dat ik het intussen vergeten ben (en ik vergeet niet zomaar wat, dus daar zit ik dan ook weer over te denken, wat er achter dat vergeten kan zitten).
Meestal knik ik dan, terwijl ik vervolgens veelbetekenend kijk, dat kan ik erg goed, jammer genoeg ook als ik het niet wil en liever neutraal blijf, zelfs in de huidige tijd van online vergaderen en slechte camera’s verraad ik mezelf regelmatig met mijn ponem, leuk hoor transparant zijn, maar niet heus.
Eh…
Dat komt ook – ik heb het nu weer over glazig kijken – omdat ik altijd bij dat gesprek de indruk krijg dat het over een verboden en/of geheim onderwerp zal gaan, een taboe. Iets wat tot dusver niemand in enig gesprek durfde aan te roeren. Laat staan in hét gesprek. Of júíst in hét gesprek?
Al sla je me dood.
Wat me op een ander fenomeen brengt, namelijk ‘de roze olifant’. Daar hoor je ook steeds meer over. Die zit altijd in de kamer, zelfs in deze digitale tijden met iedereen gewoon thuis achter een computer.
Een roze olifant is dus niet echt. Ook in een echte vergadering is de roze olifant niet echt. Ik zeg het maar even.
Hij (of zij, want dat roze heeft misschien wel betekenis) komt tevoorschijn als mensen in een vergadering ergens liever niet over praten. Dan gaat hij/zij in een hoek zitten.
Meer niet.
Iemand moet het doen, en laten we eerlijk zijn, wat zou een roze olifant anders moeten. De hele maatschappij heeft haar mond vol over inclusie, maar roze olifanten, daar is dus geen plaats voor. Die negeren we. Iedereen is bang dat ze met hun grote lijven iets kapot gaan maken. Of dat het roze afgeeft, of zo. Ja, als iets raar is, bedenken mensen de gekste dingen om er vanaf te komen.
Ik vind dat jammer, want iets raars zoals een roze olifant zou de boel een stuk opvrolijken. En dat weegt wel op tegen een beetje schade. Dan maar wat porcelein minder.
Goed, wat moeten we doen als die olifant in hét gesprek erbij komt zitten?
De scherpte zoeken.
Ik weet niet wat dat is. Ik vermoed dat het zoiets is als de zaken helder en onderscheiden, en zonder poespas duidelijk maken. Ergens geen doekjes om winden. Recht voor zijn raap praten. Unverfroren. Enfin, zoiets dus.
Hoe doe je dat, de scherpte zoeken? Door ‘de goede vragen’ te stellen. Let wel, dé goede vragen. Dat is net zoiets als hét gesprek. Iets mysterieus, bijna dreigends, maar tegelijk iets maar iedereen helemaal vol van is (let maar eens op, zodra iemand in een vergadering het over dé goede vragen heeft, struikelen de anderen over elkaar om te beamen dat die enorm cruciaal zijn, een beetje zoals een paar jaar geleden iedereen slijmerig zat te knikken als je zei dat het om de bedoeling ging).
Maar niemand weet er het fijne van. En er is ook geen mens die het wíl weten. De goede vragen, daar is natuurlijk niemand op tegen, maar je ziet iedereen denken: ik ga ze niet stellen en ik hoop niemand niet.
Tot zover de scherpte. En de goede vragen. Exit zeggen waar het op staat en al helemaal exit doen wat je zegt. Want daar gaat dit dus over. Al deze vaagheden zijn bedoeld om acties uit te stellen, of zelfs af te stellen.
Wel knap hoor, de suggestie wekken dat je het nu eens echt over de kern van de zaak gaat hebben en het doodgewoon bij de aankondiging daarvan laten. Want voor alle duidelijkheid, dat gesprek komt er niet, laat staan de scherpte en de vragen.
En lang leve de roze olifant, dus, want die mag blijven zitten waar hij/zij zit. Sterker nog, hij/zij mag dansen op de vergadertafel en ons trompetterend uitjouwen terwijl wij om de hete brij heen draaien.
En niemand die dat merkt, want dat is nou net de crux.
Dé crux.
Daar hoor je dan weer niemand over.
Een gedachte over “Het gesprek”