Het begon met een film waarin een Thaise vrouw besluit om het huis van haar ouders op te ruimen en te verbouwen, dit in weerwil van haar moeders wens en haar broers advies.
Je kan maar een missie hebben.
Het opruimen was een metafoor voor loslaten – ik kan het niet origineler maken – en dat lukt haar, enigszins. Ja, spoiler. Maar u moet die film toch niet gaan kijken, want hij eindigt met één langgerekt shot van de vrouw die één (1) traan huilt en dat is natuurlijk helemaal niet leuk.
Hoe dan ook, toen ik de ochtend na de film opstond dacht ik bij mezelf: opruimen. Los van de film had ik nóg een goede aanleiding. Ik had namelijk ook een nieuw bureau gekocht. De eenvoud zelf, een blad op een onderstel en in het blad een laatje.‘Geïntegreerd’ heet dat in foldertaal, wat een gluiperig woord is voor ‘weinig ruimte om iets in op te bergen’.
Geheel in lijn met veel van mijn andere aankopen had ik er eerst lang over nagedacht, om vervolgens zonder verder onderzoek in zes klikken dat ding te bestellen. Pas daarna vroeg ik me af of al mijn spullen in het laatje zou passen.
Eh… nee.
Ik ging moest dus mijn oude bureau uitmesten voor dat nieuwe kwam. Ik weet niet hoe u zoiets doet, opruimen bedoel ik, maar bij mij ontaardt zoiets altijd in een chaotische en uitdijende onderneming, waarbij ik kriskras door mijn huis loop zonder duidelijke bestemming en kasten open om niets anders te doen dan naar binnen te staren terwijl ik plannen van aanpak bedenk en gek word van mijn eigen argumenten voor de ene of de andere werkwijze.
Dit soort nutteloze activiteiten ging ik dit keer intomen volgens de principes van de vrouw in de film, die het weer had afgekeken van Marie Kondo. Dat is een opruimgoeroe uit Japan die zelf haar pony knipt. Ik ga hier niet haar zeven principes van het opruimen citeren. Ze komen er op neer dat je niet moet doen waar je heel veel zin in hebt, zoals facturen van zeven jaar geleden narekenen, of alle achteneenhalve concept versies van je enige gepubliceerde verhaal doorbladeren om daarin voor de zoveelste keer die ene zin om te bouwen, die zin die al lang gedrukt is, maar die je toch weer aan het twijfelen brengt.
Aan alles.
’s middags had ik door mijn huis verspreid zeven volle tassen oud papier en drie hoogzwangere vuilniszakken met plastic afval staan. Allemaal vol met proppen raamfolie, want toen ik eenmaal de geest kreeg, vond ik dat ik alles van de ruiten moest trekken om licht binnen te laten en mijn blik naar buiten te richten.
Wel ja.
Gelouterd toog ik met het oud papier naar de afvalinzamellocatie (ja, zo heet dat). De vuilniszakken zette ik vast klaar boven aan de trap.
Tot zover niets aan de hand.
Maar daarna kwam toch nog onverwachts wat altijd aan het einde van zo’n dag komt: teloorgang. Terwijl ik nog steeds in een flow van kordaat doorpakken bewoog, vond de rest van de kosmos dat het wel mooi was geweest. Dus ging er van alles fout, waar ik niks aan kon doen.
Of misschien een beetje.
Want ik wist heus wel dat je geen oud papier aan het einde van een zaterdag moet wegbrengen, want dan is iedereen je voorgeweest. Ik vergeet dat steeds. Op weg van de tweede uitpuilende afvalinzamellocatie naar de derde besefte ik bovendien opeens dat in een van de tassen een map met belangrijke documenten zat. Die had ik aan het begin van de dag pontificaal apart gelegd en aan het eind van de dag gedachteloos tussen de andere papieren gestoken. Ik zag het me weer doen. Maar erg gedetailleerd was die herinnering niet, zodat er niets anders op zat dan terug naar huis te lopen om naar die map te zoeken. Want om zoiets nou midden op straat te doen…
Thuis wilde vervolgens de voordeur niet verder open dan op een kiertje. Door de brievenbus zag ik dat de vuilniszakken van de trap gerold waren en nu gezellig in mijn piepkleine halletje op mij stonden te wachten. Als ik tegen de deur duwde begonnen ze erbarmelijk te kraken.
Dat vond ik zo zielig dat ik mijn tassen oud papier neerzette en er op de stoeprand naast ging zitten. Na een paar minuten trok ik een van de vele versies van mijn korte verhaal tevoorschijn en begon ik het voor te lezen aan de spreeuwen in de kersenboom voor mijn huis. Daar schrokken ze van, want al meteen op in de eerste scène schiet een van de hoofdpersonen een soortgenoot van hen dood met een windbuks. Dat was ik vergeten. Vroeger was ik veel wreder. De vogels vlogen krijsend de straat uit.
Een mooi einde van een film, dacht ik.
p.s. Toen ik dit verhaal aan mijn moeder vertelde (behalve de alinea over de spreeuwen, want die had ik zelf erbij verzonnen), vertelde zij míj het verhaal over onze verhuizing naar Den Bosch. Toen hadden mijn ouders op de zolder van het huis waaruit we vertrokken een paar dozen aangetroffen die ze kennelijk sinds de vorige verhuizing, vijf jaar daarvoor, niet hadden uitgepakt. En dus ook niet hadden gemist. Die dozen hebben ze toen zonder te openen bij het vuilnis gezet.
Loslaten voor gevorderden. Avant la lettre natuurlijk, want we spreken nu van eind jaren 60, toen loslaten nog gewoon loslaten was (als in: ‘Je moet het touw van je vlieger niet loslaten!’).

Een gedachte over “Opruimen”