
Toen ik afgelopen donderdag van mijn werk naar huis liep, lag er op de hoek van de straat een man voor de bloemenwinkel, te midden van vijf omgevallen coniferen, alsof hij en de bomen omver waren gewaaid door een valwind. Zoiets bestaat, had ik in de krant gelezen. De foto bij het artikel leek precies op de puinhoop voor de bloemenwinkel.
De man van de viswinkel die soms ook bijspringt in de bloemenwinkel stond voorovergebogen naast de man op de grond. Ja, een vreemde combinatie van baantjes, visboer en bloemenman, maar wel een pragmatische, aangezien de viswinkel tegenover de bloemenwinkel is. Ik weet niet hoe hij heet, maar ik noem hem voor dit verhaal Youssef.
‘Hij is een beetje in de war, denk ik’, zei Youssef tegen mij. Hoewel ik nog maar net aan kwam lopen, vond ik dat wel een houdbare veronderstelling, want het leek me sterk dat de man de ravage bij zijn volle verstand had aangericht. Ik zag in ieder geval niet meteen een wel doordacht plan.
Youssef en ik keken elkaar aan en besloten, zonder verder iets te zeggen, de man van de grond te trekken.
Dat viel niet mee. De man wilde eerst blijven liggen en toen hij na ons zachte aandringen tenslotte overeind was gekomen wilde hij niet bewegen, laat staan naar het bankje lopen dat naast de bloemenwinkel tegen het huis van de buren stond.
Intussen probeerde ik te verstaan wat de man zei, want hij mompelde allerlei zinnetjes van twee, drie woorden waarna hij ons gehinderd, bozig aankeek omdat wij geen antwoord gaven. Dat kwam doordat wij er helemaal niets van begrepen. Youssef en ik spraken gewoon in het Nederlands terug, want we moesten toch wat. Altijd blijven communiceren, heb ik geleerd.
We probeerden we de man voorzichtig naar achteren te duwen, want hij moest echt zitten, dat was wel duidelijk. Telkens als wij hem loslieten, moesten we hem snel weer bij zijn armen grijpen om te voorkomen dat hij viel.
Dan werd hij boos en probeerde hij zich los te wringen. Straks maait hij mij net als die coniferen omver alsof het niks is, dacht ik. (Hm… Ik wil niet de hele tijd zielig doen over mijn linker arm, maar sinds die niks meer doet, heb ik nog steeds geen nieuw evenwicht gevonden. Hij hangt maar een beetje langs mijn lijf en is In de vreemdste situaties opeens 5 kg dood gewicht waar ik me telkens weer door laat verrassen.)
De vrouw van de bloemenwinkel kwam naar buiten en zei: ‘Oh, wacht ik haal m’n baas wel even, die kent hem.’
Youssef en ik keken elkaar aan (opgelucht) en duwden de man monter als twee verplegers nog eens in de richting van het bankje. Hij werd weer boos en schold ons uit, Youssef voor moslim en mij voor Karl Marx. Dat had ik weer, soms lijkt die baard wel de enige eigenschap die ik heb.
‘Nee,’ zei Youssef, ‘ik ben een mens. Gewoon een mens!’
Goed antwoord. Een ijzersterk antwoord zelfs. Maar daarmee had hij de lat wel hoog gelegd. Wat moest ik nou zeggen?
‘Bakoenin. Scheld me liever uit voor Bakoenin. Die had ook een baard, maar schreef zinniger dingen dan Marx.’
Waarom moet ik toch altijd zo bijdehand doen? Het zou niet de eerste keer zijn dat ik een klap voor mijn kanis krijg omdat ik mijn eigenwijze mond niet kan houden. Maar nu had ik het kennelijk precies goed, want de man grinnikte.
‘Ik ben pas echt vrij als alle mensen vrij zijn,’ zei ik. Mijn favoriete Bakoenincitaat (als ik eenmaal bijdehand doe, ben ik niet meer te houden). De man lachte weer en wilde mij in zijn armen sluiten. Maar Youssef dacht dat hij mij te lijf wilde gaan en trok me weg waardoor de man voorover op de grond viel.
Toen verscheen plotseling de baas van de bloemenwinkel naast ons. Hij bekeek de man op de grond en zei laconiek: ‘Wil je koffie Volodja?’ En tegen ons: ‘Hij is Rússisch!’ Alsof dat de hele situatie in één klap verklaarde. In ieder geval misschien dat de man mij met Marx vergeleek. En dat hij misschien niet verward maar dronken was. Ja, vooroordeel, maar hij rook wel erg naar drank.
Dacht ik.
Opeens.
Hoe dan ook, de man dronk koffie terwijl hij op de grond zat, liet zich daarna alsnog door Youssef en mij naar het bankje brengen (terwijl de bloemenbaas ons stap voor stap in de goede richting coachte) en dronk daar nog een kop koffie terwijl wij, de omstanders, in de ongemakkelijke sfeer terecht kwamen die ook wel eens ontstaat aan het eind van een feestje, als niemand een aanleiding kan vinden om de boel definitief op te breken. Ik kan me ook niet meer herinneren hoe we uit elkaar gingen.
Toen ik de volgende dag weer langs de bloemenwinkel liep, kwam de vrouw naar buiten.
‘Meneer!’ riep ze, ‘ik heb iets voor u!’ Ze verdween in de winkel en niet veel later zette ze een conifeer voor mijn voeten. ‘Van Volodja, voor u!’
‘Voor mij?’
‘Ja, “voor Bakoenin”, zei Volodja. Hij heeft zelf de andere vier meegenomen.’ Ze lachte.
‘Wat was er nou eigenlijk met hem aan de hand?’ vroeg ik.
‘Hij heeft in Rusland gevangen gezeten. En daar heeft hij iets opgelopen, iets in zijn hoofd, hersenletsel. En soms is hij dan even helemaal de weg kwijt.’
De vrouw keek me aan: ‘Heet u écht Bakoenin?’
‘Nee,’ antwoordde ik. Daarna pakte ik het boompje bij de stam en droeg ik het naar huis.