
Oké, als we straks veel meer dan vroeger thuis blijven werken, kunnen we dan een paar afspraken maken over de plekken waar we thuis onze computer neerzetten? Want ik heb zo onderhand wel genoeg zolderkamertjes gezien. Balken en schrootjes, balken en schrootjes, het hield niet op.
Oh, en al die onduidelijke kamertjes, misschien kent u ze, van die ruimtes die eerst heel chique de strijkkamer waren, daarna strijkkamer/walk in closet/verzamelplaats voor ongevouwen kleren, vervolgens, na een grondige reorganisatie plus een nieuw behangetje en een vlaag van overmoed opeens bibliotheek en leeskamer werden, om ten slotte toch te eindigen als inpandige berging, wat een makelaarswoord is voor rommelhok, waar tot verbazing van iedereen (waaronder veel collega’s) toch nog een bureau in past, tegenover een boekenkast nog wel, die vol staat met Ninja Turtles en/of Power Girls action figures, en/of in onbruik geraakte bloemenvazen/koffiemokken.
Dat is allemaal meer dan een mens kan hebben, of laat ik het bij mezelf houden, meer dan ík kan hebben.
Ik geef toe, ik maak het mezelf te moeilijk, want ik kan het natuurlijk weer niet laten om al die achtergronden eindeloos te bekijken en te analyseren. Het zal u niet verbazen dat ik er een theorie over heb. Je werkt bij beleid of niet.
De basis van mijn theorie is dat al die achtergronden iets zeggen over de persoon op de voorgrond. Ja, het is geen revolutionaire theorie. Maar wat wilt u, ik heb haar tussen de bedrijven door in de kantlijn van mijn aantekeningenboekje gekrabbeld.
Goed, mensen gaan niet zomaar ergens zitten, nee, die willen met hun entourage iets vertellen over zichzelf. Bewust of onbewust. En daar moet je voor oppassen, of laat ik het alweer bij mezelf houden, daar moet ík voor oppassen.
Neem bijvoorbeeld de opgewekte meneer die pontificaal voor een poster van Nana Mouskouri zat. Ik ga niet uitleggen wie dat is (Nana bedoel ik). Het is al erg genoeg dat ik haar herkende en in de lach schoot, omdat zij in mijn pubertijd alles wat suf en oud (20+) en muzikaal fout was, representeerde, en dat ik daar ook zonodig een snedige opmerking over moest maken met mijn microfoon aan. Wist ik veel dat zij in 1963 voor Luxemburg uitkwam op het Eurovisiesongfestival en toen achtste werd!
Waarmee ik maar wil zeggen dat je (ik) voorzichtig moet zijn met oordelen over iemands habitat, want dat is een deel van iemands identiteit. Voor je (ik) het weet heb je (ik) iemand diep in het hart geraakt.
Een achtergrond is ook iets om mee op te scheppen. Eerst dacht ik dat alleen mannen dat deden, met wanden vol sneakers, gitaren, skateboards, racefietsen of highbrow street art (van een Londense kunstenaar die een half jaar daarvoor op een verlaten industrieterrein in een oude vrachtwagen woonde).
Later kwam ik er achter dat ook vrouwen met hun biotoop pronken, maar dan subtieler, bijvoorbeeld met de zachte natuurgeluiden van een boerderij op het platteland, de aandoenlijke viool- en/of piano-oefeningen van hun kinderen in een aangrenzende kamer, of een partner/puberzoon die gedienstig een kopje koffie komt brengen.
In dezelfde categorie vallen de terloopse mededelingen als ‘sorry voor het lawaai, we laten een oranjerie in de achtertuin bouwen’, of: ‘ik moet misschien straks even de vergadering uit want ze komen nieuwe ketels voor de brouwerij brengen.’
Iets heel anders zijn de achtergronden die je met enige handigheid zelf kunt maken. Dat zijn dromen (die niet zijn uitgekomen) die dan in plaats komen van een kennelijk deprimerende situatie thuis.
Ja, dat klinkt een beetje cru, maar ik kan niks anders concluderen als een onafgebroken beteuterde meneer bij de bespreking van een heus wel hoopgevende notitie niets dan zwartgallige kanttekeningen plaatst terwijl hij zogenaamd op het hagelwitte strand van een lagune in Thailand zit. Dat is gewoon wanhopig.
En wat te denken van de gehinderde mevrouw die tijdens een bespreking iedere vraag om een standpunt zuinigjes van zich af duwt zonder ook maar één keer het achterste van haar tong te laten zien, maar die wel open en bloot (bij wijze van spreken!) heeft plaatsgenomen voor een foto uit 1992 waarop zijzelf als twaalf jarige compleet met rugzak, wandelstok en bordercollie op een voetpad in de Appenijnen loopt? Dat ontroerde me. Niet dat beeld, maar de enorme kloof tussen de foto en de vergadering. Greep me gewoon bij de keel.
Mijn achternicht uit Anderik zei me dat het allemaal de kift was.
‘De kift?, vroeg ik? ‘Hoe past dat in mijn theorie?’
‘Nee, dit blog!’ antwoordde zij. ‘Je bent gewoon jaloers op al die mensen, omdat je zelf niks hebt.’
‘Huh?’
‘Jij zit ofwel voor de grijze gordijnen van je woonkamer, ofwel voor de ‘soort-van-witte’ rolgordijnen van je werkkamer. Hoezo is dat niet sneu?’
‘O, als ik mij niet omring met totems en uitbreidingen van mijzelf is dat sneu? Dat is juist stoer, zou ik zeggen! Ik stel mij kwetsbaar op! Als je met mij skypt/zoomt/webext/teamst of wat ook maar, dan doe je dat je met míj en niet met mijn parafernalia. Ik zal me nergens achter verstoppen.’
‘Tss, jij… jij verstopt je achter je woorden!’
‘Ach, nou doe je echt flauw. Is dat omdat je op een boerderij woont met een oranjerie in de achtertuin en een brouwerij in de schuur? Barn Beer, serieus?’
Flits! Weg was mijn achternicht. Ik ook altijd met mijn bijdehante commentaar. En mijn theorietjes.
‘Wat vond u van de kwaliteit van dit gesprek?’ vroeg Skype.
Hm…
Zullen we elkaar weer gewoon op kantoor leren kennen? Als we niet meer weten hoe dat moet, kunnen we nog altijd naar elkaars hobby’s vragen.