Kleren

Het revalidatiecentrum waar ik mijn eigen nieuwe normaal vond/zoek, ligt naast een soort plas, de Ridderschapsvaart (het is dus geen plas, maar een kniesoor die daar op let), een idyllisch water dat gemaakt lijkt om rust te vinden. Aan de oever ervan staat een bankje en dat bankje is mijn lievelingsbankje.

Zoiets is gevaarlijk, een lievelingsbankje. Bijna alles met ‘lievelings’ ervoor is gevaarlijk. Vind ik. Want neem nu dat bankje. In plaats van mij er op te verheugen dat ik later op kan zitten, ben ik bang dat het dan bezet is. En zo gaat dat met alle lievelingsdingen, ik ben altijd bang dat ik ze misloop.

Ja, dom. Ik probeer dat af te leren. De basis regel: soms zit het mee soms zit het tegen. Geen grote wijsheid, maar ze werkt wel. Als je er in gelooft.

Een andere methode: kill your darlings. Ik weet dat er iets anders mee bedoeld wordt, maar mijn lezing is dat als je geen lievelingsdingen hebt, je ook nooit teleurgesteld wordt.

Ho, denk nu niet: wat een zwartgallige man die meneer Poort. Want de vrolijke keerzijde van deze stelling is dat ik voortdurend verrast word door van alles en nog wat. Daarvoor heb ik eerst van verrassingen leren houden. Ja, ik maak het mezelf nodeloos ingewikkeld. Maar ik ga stug door, in ieder geval met dit verhaal.

Daarvoor is belangrijk dat dus niet al mijn lievelingen dood zijn.

Hm… in het Engels klinkt dat vriendelijker. Schrap de vorige alinea. Ik bedoel te zeggen dat ik nog steeds lievelingsdingen heb, waaronder dat bankje.

Het zal u waarschijnlijk niet verbazen dat er bij mijn lievelingsdingen rituelen horen. Ik ben niet voor niets een zenuwlijder. Bij dat bankje horen dus een dubbele espresso en een brownie. (De oplettende lezer zal zeggen dat het dus meer een lievelingsgebeurtenis is, namelijk espresso drinken en een brownie eten en er een eind op losmijmeren op mijn favoriete bankje, helemaal waar, maar dat vind ik te ingewikkeld voor dit verhaal.)

Die espresso en brownie haal ik een eindje verder op. Dat klinkt simpeler dan het is, want op weg naar de koffie moet ik langs het bankje en als het vrij is loop ik dus met de zenuwen in mijn lijf heen en weer omdat ik als de dood ben dat intussen iemand anders op dat bankje is gaan zitten.

Tot zover deze nogal lange inleiding. Die was nodig om u een soort indruk te geven van wat ik meemaakte toen ik vorige week opgelucht ademhaalde terwijl ik met alles wat ik nodig had op het bankje ging zitten om haast meteen te ontdekken dat er voor het bankje twee hoopjes kleren lagen.

Dat had ik weer. Nu zou er dus helemaal niets van voor mij uit staren en dagdromen terechtkomen. Nee, nu moest ik gaan nadenken over die kleren.

Wat deden die daar? Of een betere vraag: van wie waren ze? Van twee vrouwen, dacht ik, want de kleren hadden iets vrouwelijks. Vraag me niet waarom. Of toch wel, want toen ik nog eens goed keek naar de slippers, leken de blauwe me toch meer kinderslippers. Zo kwam ik op een vrouw en een kind.

Waar waren ze? In het water zou logisch zijn, maar ik zag ze nergens. En het water is een recht-toe-recht-aan-plas waar een mens zich moeilijk kan verstoppen. Bovendien verwachtte ik vrolijk gekwetter en gespetter, en het enige dat ik hoorde was het zachte geruis van het verkeer op de Waterlinieweg. Dat klonk akeliger dan ooit, dreigend zelfs.

Ik haalde er op mijn mobieltje een landkaart bij. Zouden die twee de Minstroom op zijn gezwommen? Om dan via de halve stad en aangrenzende polderland hier weer terug te keren? Dat leek me meer iets voor Maarten van der Weijden. Ik rilde bij de gedachte dat ze ergens bij Den Bilt door kramp geplaagd tevergeefs om hulp aan het roepen waren.

Terwijl ik doodgemoedereerd op dat bankje zat! Ik gooide de koude koffie weg en stopte de brownie in mijn tas,, wiste het zweet van mijn voorhoofd en probeerde na te denken. Wat moest ik doen?

Ik keek nog eens naar de kleren en schrapte mijn idee om naar aanwijzingen van het een of ander te zoeken. Ik ken mijzelf, als ik zo iets doe, steken twee seconden later de zwemsters hun hoofd boven het water uit om mij van diefstal te betichten.

Ah! De politie bellen! Dat was het beste. Dan kon die uitzoeken wat er aan de hand was. Intussen zou ik op de kleren passen.

Maar wat moest ik zeggen? Alle zinnen waarmee ik in mijn hoofd het telefoontje probeerde te beginnen sloegen eigenlijk nergens op. Ik had een heel slecht verhaal.

Dat maakte mijn zorgen er niet minder om. Intussen zag ik moeder en kind zich aan elkaar en wrakhout vastklampen te midden van enorme golven met witte koppen.

Ik besloot kordaat dat dit bankje voortaan mijn lievelingsbankje niet meer was, maar daar had ik nu niks aan. Ik stond op en deed een paar stappen naar de walkant, misschien kon ik roepen. Zoiets als: ‘Hallo! Gaat alles goed?’

Maar toen de echo van ‘hallo!’ over het water terugkwam, verloor ik mijn evenwicht. Ik maaide met mijn rechterarm door de lucht terwijl ik dacht: hoe sneu is dit?

Vlak voor ik het water in zou tuimelen, pakte iemand mij bij mijn schouder.

‘Meneer Poort! Meneer Poort!’ Ik schrok wakker. ‘Gaat u mee? U heeft creatieve therapie!’

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.