Bloem

Mijnheer Versteegh stond aan de rand van de speelplaats te wachten, naast drie vrouwen die terwijl ze met elkaar stonden te praten zo nu en dan op hun mobieltje keken en er dan kieskeurig op tikten, alsof ze taartjes uitkozen bij de bakker. Intussen hielden ze, net als hij, de schooldeur in de gaten.

Het was verreweg het mooiste moment van zijn week, vond mijnheer Versteegh, het moment dat die deur openbarstte en de kinderen naar buiten stuiterden, een rommelige mini-menigte die langzaam uitwaaierde naar vaders en moeders en oppassen en ‘BSE-bodes’ of wie ook maar klaar stond om ze op te halen.

‘Opa!’ riep Myrthe.

‘Hé liefje!’ riep terug. ‘Wat heb je op je hoofd?’

‘Een hoed! zie jij dat niet?’

Ja, dat zag hij wel. en het leek het hem meteen geweldig om de hoed ook eens op te zetten. Hij wist niet waarom. Hoefde hij ook niet te weten, vond hij. Maar hij durfde nog niet te vragen of het mocht.

‘Het is een heksenhoed,’ zei Mirthe. ‘Maar wel van een lieve heks.’ ze keek hem even aan om te zien of hij dat begreep. ‘Er zijn namelijk boze heksen en lieve heksen. Dat is nogal wiedes.’

Mijn heer Versteegh knikte. En Myrthe legde uit hoe het zat. Juffrouw Merel had verteld dat er vroeger, heel vroeger (maar misschien nu nog wel), twee feeën waren, een Fee van fout en een Fee van goed, die, om om de twee feeën uit elkaar te kunnen houden, de Géé van goed heette. Met een ‘guh’.

En dat was grappig vond Myrthe, want het klopte precies! De Gee van goed, dat was ook goed gespéld en de fee van fout dat was ook écht fout.

Dat was waar. Hoewel de fee van fout eigenlijk alleen fout klónk. Maar dat zei meneer Versteegh niet. In plaats daarvan vroeg hij naar de heksen.

‘Eerst nog de feeën, ik heb nog niet alles verteld, opá!’

De Fee van fout herstelde foutjes en de Gee van goed zorgde ervoor dat wat goed was goed bleef. Dat was best moeilijk.

‘Want weet je hoeveel kinderen op een dag over de hele wereld hun bekertje melk hadden kunnen omstoten?’ Myrthe wachtte het antwoord niet af: ‘13576!’ De Gee van Goed moest dus proberen om dat te voorkomen, bijvoorbeeld door al die bekertjes een stukje opzij te schuiven, maar als dat niet lukte, dan moest de Fee van Fout als de wiedeweerga de melk opdweilen en het bekertje recht zetten om er vliegensvlug nieuwe melk in te schenken, en dat dus allemaal voordat iemand het gemerkt had. Dat deden ze natuurlijk niet zelf, daar hadden ze elfjes voor. Heel veel elfjes!

Meneer Versteegh knikte. Logisch verhaal. ‘En de heksen probeerden natuurlijk op een of andere manier om al die bekertjes om te stoten?’ vroeg hij.

Dat lag er maar aan hoe je het bekeek. Er waren vroeger ook twee heksen. De heks van Hellup en de heks van Hekel. Die laatste vond niks leuk. Zelfs leuke dingen niet. Vandaar haar naam: ze had een hekel aan alles. En omdat het haar dus allemaal niks kon schelen, liet ze lekker alles in het honderd lopen. En dat deed ze zomaar, gewoon omdat ze het kon. De heks van Hellup, die probeerde haar te helpen, maar dat deed ze altijd van de regen in de drup, omdat ze heel erg stuntelig was, zodat alles mislukte. Dat was dan eigenlijk dus goed, want daardoor pakten de plannetjes van de heks van Hekel veel minder erg uit dan haar bedoeling was. Eigenlijk was de heks van Hellup dus een goeie heks.

Myrthe nam voorzichtig haar hoed af en zei plechtig: ‘Dit is dus de hoed van de heks van Hellup. Vind je hem mooi?’

‘Ja, heel erg.’

‘Wil je hem eens op?’

Mijnheer Versteegh dacht dat ze het nooit zou vragen! Even later paradeerde hij met de paarse hoed op over het speelplein. Hij had bekijks, maar dat vond hij niet erg, en Myrthe ook niet. Ze gaf hem een hand en ze liepen samen naar huis terwijl Myrthe telkens keek of het nog wel goed ging met de hoed, want de lijm was nog niet overal droog.

‘Je moet vooral op de roze bloemetjes letten, opa!’

Dat beloofde hij te doen. Maar toen ze thuis kwamen, had hij er toch een verloren. Dat was natuurlijk werk van de heks van Hekel. Die vond roze bloemetjes maar niks, wedden? Dat vonden ze allebei wel een beetje griezelig, zo had je nooit gehoord van die heks en zo bemoeide ze zich heel geniepig met je leven, alleen maar om te pesten!

‘Kom, zei mijnheer Versteegh, ‘we lopen gewoon terug en dan kijken we goed naar de straat en de stoep, en dan vinden we dat bloemetje heus wel weer. Vergeet niet dat de heks van Hellup er ook nog is! Om maar niet te spreken van die twee feeën.’

Myrthe knikte verheugd, want daar had ze nog niet aan gedacht. Ook stom, ze had het verhaal zelf aan opa verteld. Nou ja, maakte niet uit, ze was er blij om en het zou goedkomen, dat was het belangrijkste.

Ze gingen op pad en slopen als regelrechte speurneuzen over de trottoirs en de straten op zoek naar het roze bloemetje. Ze zochten en zochten en zochten…

‘Opa kijk daar! riep Myrthe toen opeens. ‘Die meneer zoekt ook iets!’ Ze wees vooruit en inderdaad, daar stond een man voorover gebogen, midden op straat, naar de grond te turen.

‘Hij maakt een foto van iets wat op straat ligt,’ zei mijnheer Versteegh. ‘misschien wel van het bloemetje!’ Myrthe begon te rennen en hij rende achter haar aan.

En ja hoor, de man hield zijn mobieltje een halve meter boven het bloemetje van Myrthes heksenhoed, dat daar helemaal alleen op straat lag te glinsteren alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.

‘Wat doet u? vroeg Myrthe aan de man. ‘Dat is mijn bloemetje. Het is van mijn heksenhoed!’

Ik ging recht staan. ‘Ik maak er een foto van.’

‘Waarom?’

‘Dat vind ik leuk. Ik maak foto’s van dingen die op straat liggen. Dingen die mensen zijn vergeten, of die ze zijn verloren. En dan verzin ik daar een verhaal bij.’

Myrthe knikte, want dat vond ze best een goed idee. ‘En weet u al een verhaal voor bij mijn bloemetje?’

‘Hm, meestal moet ik daar eerst even over denken, maar nu weet ik al iets, wil je het horen?’

Myrthe knikte (opa ook).

[Da capo.]

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.