Wicky

‘Sta je nou alweer een Wicky te drinken?’ vroeg de vrouw aan de man die inderdaad zo’n pakje in zijn enorme hand hield, het rietje ongeïnteresseerd tussen zijn lippen terwijl hij zonder merkbare inspanning het laatste restje opzoog en wegslikte. Alsof hij ademhaalde, zo makkelijk ging het.

‘Het is zonder suiker,’ zei hij. ‘Kijk maar.’ hij hield het pakje omhoog en liet haar de triomfantelijke ‘0,0!’ zien. De vrouw sloeg er geen acht op. In plaats daarvan bekeek ze de man, geringschattend zoals sommige vrouwen dat wel kunnen doen, de blik vluchtig van boven naar beneden en weer terug. Ze liet onderweg heel subtiel haar ogen even rusten op de kolossale buik van de man.

En ik dacht aan mijn broer die helemaal geen kolossale buik heeft, maar die wel een grote fan van Wickie de Viking was. Toen hij klein was. Terwijl híj heel ernstig en aandachtig naar de verwikkelingen van de Noormannen keek, zaten wij (vader, moeder, broer & zus) gespannen te wachten op het moment dat de jonge held (ik bedoel Wickie, niet mijn broer, die ook wel een jonge held was maar, eh… dit wordt te ingewikkeld, vergeet het) met zijn wijsvinger onder zijn neus wreef, wat namelijk het teken was van een of andere revolutionaire oplossing van het probleem dat zich in het kwartier daarvoor stukje bij beetje schijnbaar onoplosbaar had gemaakt voor de kijkers.

Mijn broer sprong dan altijd op alsof de wereldvrede was uitgebroken. Of zoiets. En van de weeromstuit juichten wij met z’n allen mee. Alleen daarom al was het leuk naar Wickie de Viking te kijken. Het was bij wijze van spreken iedere keer feest bij ons thuis als dat jochie weer iets bedacht had.

Wat voor mij een hele omschakeling was, kan ik wel zeggen, want de kleingeestige juffrouwen van de eerste en tweede klas die mij geschiedenisles mochten geven, hadden van de gelegenheid gebruik gemaakt om om niets dan slechts over de kennelijk bloeddorstige en ongelóvige vikinghorden te vertellen. Vooral dat laatste stak hen. Roven en moorden was tot daar aan toe, maar dat dan zomaar om buit te maken en erop los te veroveren, dat was pas echt onbeschaafd. Goddeloos dus, om precies te zijn (kinderlijk primitieve superwezens als Thor en Wodan telden natuurlijk niet mee als goden).

Waardoor ik dus bij die Wickie en zijn ietwat sullige en goedbedoelende dorpsgenoten iedere keer even een ander denkraam moest zoeken.

Terug naar die man, die, terwijl ik dit zo overdacht, steeds meer op Oele, een buurman/overbuurman van Wickie begon te lijken. Maar dat was natuurlijk inbeelding.

De vrouw kwam terug en zette twee tot de rand gevulde plastic tassen voor de man zijn voeten en zei: ‘ik hoef alleen nog naar ‘Ajam Ajam’ voor de kip.’

De man knikte en toen ze wegliep mompelde hij: ‘Ajam… wie heet er nou Ajam? Zo lang als we hier komen vraag ik me dat al af. En waarom dan twee keer? Ik heet toch ook geen Oele Oele?’ Hij had het tegen mij. Maar ik liep nog bij Wickie in de straat, als het ware. ‘Hé, ik heb het tegen jou!’ riep hij.

Toen drong het tot me door. ‘Heet u Oele?’ Dat klonk verbaasder dan ik bedoelde.

‘Ja, heb je daar problemen mee?’

‘Nee, nee, natuurlijk niet. Maar geen naam die je vaak tegen komt.’

‘O, nou bij ons anders wel.’

Bij ons? Waar was dat dan? Ik stond toch gewoon ergens in het winkelcentrum Overvecht? In Utrecht, Nederland? Ik was nog nooit iemand tegengekomen die Oele heette en om één of andere reden leek het me helemaal vreemd om juist dáár een Oele tegen te komen.

‘Hoezo vreemd?’ vroeg de man, alsof hij mij gehoord had. ‘Jouw broer heet Wickie! Nou, ik weet niet wat vreemder is.’

Het leek me nutteloos om te zeggen dat mijn broer helemaal geen Wickie heet, temeer omdat de man zijn vrouw terug was gekomen met de kippen (‘ajam ajam’ in het Indonesisch, voor wie deze blog een beetje wil blijven volgen), twee ongeplukte kippen om precies te zijn, of misschien wel fazanten, die ze ondersteboven bij hun poten vasthield, alsof ze ze zelf net geschoten of gestrikt had.

‘Heb je het vuur al aangemaakt?’ vroeg ze aan Oele. En aan mij: ‘Eet je mee Halvar?’

Dat snapte ik dan weer wel. Vanwege zijn/mijn baard. Een Viking waardig, al zeg ik het zelf, hoewel die van Halvar verwoestend rood is en die van mij rustgevend grijs, wat ik persoonlijk dan wel weer mooier vind.

Ik heb de uitnodiging afgeslagen, want ik probeer vegetarisch te eten. Geheel tegen de mores van de meeste Vikingen in, die, als ik de juffrouw uit de tweede klas mag geloven, alles aten wat ook kon ademen. Op mensen na, hoewel haar geheimzinnigheid over de beestachtige gewoonten van de ongekerstende Noormannen me soms aan het twijfelen bracht. Misschien aten ze af en toe ook wel een overwonnen christen, als de gezouten rendieren die ze van thuis mee hadden genomen op waren.

Oele haalde zijn schouders op en liep weg. Het pakje Wicky liet hij achteloos vallen. Zijn vrouw hobbelde achter hem aan met de tassen. Toen ze een paar meter verderop waren zag ik snel mijn kans schoon.

‘Kijk, die vent’ hoorde ik de vrouw tegen haar man fluisteren, ‘die achterlijke staat een foto te maken van jouw pakje Wicky. Hij is niet goed bij z’n hoofd hoor, dat zei ik toch al meteen?’

Die Ylva, altijd even bijdehand!

p.s. Met dank aan Sander Keppel, die een paar jaar geleden de eerste zin van deze blog uit de mond van een vrouw voor de Aldi aan het begin van de Straatweg optekende, een bizar citaat dat ik nooit meer vergat, zonder te weten waarom, tot dus dat pakje Wicky zomaar op straat lag te schreeuwen om aandacht.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.