
Goed, de versoepelingen waren amper uitgeroepen of ik verlangde van de weeromstuit heel erg terug naar een paar fases geleden, toen we nog een avondklok hadden en iedereen lekker binnen bleef om daar lawaai te maken in plaats van bij mij voor de deur.
Of nou ja, lawaai maken is een groot woord, want het straatje waarin ik woon is erg gehorig, wat betekent dat ik echt álles hoor, en dan ook nog eens versterkt of zo, want het kleinste geluid stuitert tussen de gevels net zo lang heen en weer tot het een kathedrale herrie is, waardoor ik vrijdagnacht dus wakker werd van twee mensen die aan de overkant stonden te zoenen. Ik bedoel maar. Het was alsof ze naast mijn bed stonden, inclusief galm.
Ik weersta hier de neiging om het geluid (eigenlijk: de geluiden, want er kwam geen einde aan) verder te beschrijven. Ik hou het op de korte beschrijving die Raymond Babbitt in Rain Man gaf van de kus die híj kreeg: ‘Wet’.
Er zijn mensen die bij zo’n gebeurtenis gewoon een raam openschuiven en iets snedigs roepen om het stel tot zwijgen te brengen, maar ik durf dat niet, want ik denk dan altijd dat ik nóg meer mensen wakker maak (wat waarschijnlijk ook zo is) die vervolgens boos op míj worden. Mijn andere (veel ergere) vrees is dat een van de twee zoeners verstoord opkijkt om nog iets snedigers naar mij terug te schreeuwen, waar ik dan de rest van de nacht met een rood hoofd van wakker lig.
Dus ik doe niets en ga wakker liggen van iets anders.
Vragen.
Bijvoorbeeld: woont een van de twee in het huis aan de overkant, en zo ja, waarom gaan ze dan voor de deur in de kou staan te kussen als ze veel gerieflijker binnen op de bank kunnen gaan zitten? Misschien kenden ze elkaar net, en waren ze daar nog niet aan toe? Was wat ik hoorde dan een uit de hand gelopen afscheidskus na een avondje uit? In films heb je wel van die scènes waarin opgebouwde spanning opeens niet meer te houden is als ze elkaar aan het einde van een date goedenacht wensen, maar dan gaan ze altijd vrij snel naar binnen om onderweg op de trap zichzelf en/of elkaar uit te kleden.
En wat dies meer zij.
Toen ben ik kennelijk mijmerend weer ingedommeld, want ik werd wakker van een staartje opgewonden gesprek tussen de twee en een deur die dichtsloeg. Nou had ik gemist of ze alle twee naar binnen waren gegaan! Ik spitste mijn oren, want misschien kon ik toch nog iets horen.
Voetstappen. Lome en trage voetstappen, waarin ik, romantisch als ik ben, diepe teleurstelling hoorde. En liefdesverdriet. En spijt. Hadden ze toch nog gedoe gekregen over naar binnen gaan? Hoe dan ook, een van de twee zoeners droop af (no pun intended).
Een jongen. Dat weet ik, omdat hij niet lang wegbleef. Een uurtje later was hij terug, om mij weer wakker te maken, ditmaal doordat hij heel hard ‘Amélie!’ riep.
ik verdrong mijn herinneringen aan alle keren dat ik zelf van wanhoop en verliefdheid (gaan in mijn leven vaak samen) alle decorum verloor en iets deed zoals de jongen nu.
‘Amélie!’ Hij huilde bijna.
Wel een fijne naam om te roepen, vond ik. In gedachten riep ik mee en ik probeerde gelijk met de jongen op te gaan. Er zat een soort ritme in zijn hartenkreten. Hm… Dat was toch wel moeilijk, alleen in je hoofd. Dus ik besloot mee te fluisteren. Maar op die manier klonk ‘Amélie!’ niet half zo mooi. Alle klank en melodie verdween in mijn schorre geprevel. En nu ik er eens kritisch over nadacht, ging liggend zingen, want dat was het eigenlijk, ook niet zo goed. Ik sloeg de dekens van me af en ging op de rand van het bed zitten. Dat was al beter.
‘Amélie!’
Best wel goed, al zei ik het zelf.
Maar in de badkamer zou het helemaal geweldig zijn, want daar klinkt alles echt alsof ik al sinds mijn kleutertijd professioneel operazanger ben. En ja hoor, onnavolgbaar! Behalve dan voor mijn eigen echo die intussen ook meedeed. Ik was een heel koor!
Dat de jongen op straat intussen opgehouden was, hoorde ik niet eens, zo in vervoering was ik. Waardoor ik ook niet naar het raam liep om te kijken wat er aan de hand was, dan had ik namelijk gezien dat Amélie in tranen en op haar blote voeten naar buiten was komen rennen om hem te omhelzen en te troosten, als een geliefde en een moeder tegelijk. Laat staan dat ik doorhad hoe stil het daarna werd… de twee bleven roerloos midden op straat staan.
Daar hadden ze misschien nog gestaan als de politie niet was gekomen om bij mij aan te bellen en te vragen of ik wat zachter kon doen.
Eek!
Toen schrok ik pas echt wakker.
De foto is van Wikimedia commons
.