Stellig

‘Ja, vorm! Maar vorm is ook altijd inhoud,’ zei de man met veel aplomb tegen het groepje jonge vrouwen waarmee hij aan een ronde tafel zat in een vers geopend restaurant dat, alsof niemand ooit was weggeweest, als vanouds werd opgevrolijkt door een mini leger rondstuiterende peuters en kleuters en hun ouders/grootouders die hun half zwaarmoedige gesprekken over leven vóór, tijdens en na corona om de beurt onderbraken om de neuzen van hun (klein)kinderen te vegen of hun warme tranen te deppen en/of zere plekken te kussen.

Een van de leukste spelletjes om in een café of restaurant te spelen, is proberen uit te vinden hoe een gezelschap in elkaar zit; wie hoort bij wie en waarom, dat soort vragen. Dat deed ik nu ook en nadat ik een paar hypotheses had verworpen besloot ik dat de man een professor was met zijn studenten. Misschien niet bijster origineel, maar een vader met vijf kinderen, bovendien allemaal meisjes, die ook nog eens ongeveer even oud waren, dat ging er bij mij niet in, net zomin als het verjaardagsfeestje van een van de vrouwen die haar jaarclub had uitgenodigd voor een high tea inclusief haar vader. Zoiets resulteert in een ongemakkelijke dynamiek waar 20 jarigen niet op zitten te wachten.

Hoe dan ook, ze hingen aan zijn lippen. Wat mij wel teleurstelde, want ik had graag meegemaakt dat een van hen had gevraagd hoe in vredesnaam vorm inhoud kan zijn. Ze hadden voor de gein net als ik even de term ‘vorm versus inhoud’ kunnen googelen om vervolgens na al een paar klikken op een onwrikbaar citaat van Immanuel Kant (niet de minste) te stuiten: ‘Vorm en inhoud, taal en denken, kunnen niet zonder elkaar, maar vallen niet samen.’ Maar niemand vroeg aan de professor wat hij vond van Kants standpunt in zijn Kritik der reinen Vernunft.

Nou bleef ik daar mee zitten.

En met de man zijn stelligheid. Want daar kan ik helemaal niet tegen. Mensen die niet twijfelen, wantrouw ik heel erg.

Kennelijk zit me dat hoog, want toen ik het opschreef, dacht ik: daar heb ik toch al eerder iets over geschreven? Ja, hier, maar op het gevaar af dat ik mezelf plagieer, ga ik toch door met dit verhaal, en hoop ik van u hetzelfde, want ik weet echt nog niet hoe dit verhaal afloopt (wat een goed teken is, voor u, voor mij is het een hel) behalve dan dat het nauwelijks op dat andere verhaal lijkt.

Eh… argwaan jegens stelligen dus. En lof voor de twijfelaars. Maar dan bedoel ik niet de twijfelaars die eindeloos hun hoofd breken over welke kleur sokken ze aan moeten trekken (ook erg belangrijk hoor, kost mij iedere morgen zeker een paar minuten). Nee, het gaat mij om de twijfel die voortkomt uit nieuwsgierigheid en die leidt tot onderzoek.

Hm… dit verhaal wordt steeds serieuzer.

Wat ik maar wil zeggen is dat het leven erg saai wordt als je alles zeker weet. Dus: ga voor onzekerheid. Laat je verrassen. Ja, dat zeg ik hier vaker, en ik wil wel eerlijk toegeven dat ik dat ook doe om mezelf toe te spreken, aangezien verrassingen doorgaans onverwacht komen en ik mezelf daar op wil voorbereiden. Eigenlijk sta ik de hele dag op scherp. Ik weet nog niet definitief of dat nou zielig of juist stoer is. Voorlopig ga ik voor het laatste.

Terug naar de professor, die zo’n beetje alles zeker wist. Want hij stapelde de ene bewering op de andere alsof het niets was, en ook nog eens met de air van iemand die het allemaal zelf ontdekt had. En zijn studentes maar knikken.

Terwijl ik me zat op te vreten.

Ik stond net op het punt om met mijn mobieltje in de aanslag de professor met het tegendeel van zijn zoveelste boude bewering om de oren te slaan (figuurlijk dan), toen een van de stuiterende kinderen naast hem tot stilstand kwam.

Een meisje met sproeten, een pluizige bos rood krullend haar, en, het belangrijkste, twee groene ogen, waarmee ze de man eerst eens goed bekeek en daarna aanstaarde. Dat kunnen kinderen erg goed. En er was gelukkig niemand, ouders noch grootouders, die haar dat verboden omdat het onbeleefd was.

Het was vooral leerzaam. Een les in nederigheid voor de professor die langzaam verschrompelde, en voor zijn studentes die opeens beseften dat je ook iets anders kon doen dan knikken.

Zoals grinniken.

Tot zover een goed verhaal, al zeg ik het zelf. Wel jammer dat het meisje daarna opeens bij mijn tafeltje verscheen en me niet alleen nogal indringend en ontwapenend aankeek, maar mij ook vroeg wat ik aan het opschrijven was.

Om één of andere reden kon ik niet anders dan de waarheid vertellen, en wel zo luid dat ook de professor het hoorde. Hij riep met overslaande stem dat ik zijn privacy schond en dreigde met een rechtszaak als ik niet meteen alles van al mijn gegevensdragers verwijderde.

Dat had ik weer, een professor in de rechtsgeleerdheid.

Dus of u dit niet wilt doorvertellen… Want anders was dit mijn laatste verhaal, vrees ik.

De foto is van Wikimedia Commons.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.