
Peter kwam piepend en krakend tot stilstand. Zo voelde het tenminste. Hij bleef staan, de fiets tussen zijn benen, het stuur in zijn handen. Door het raam zag hij zijn vrouw in de huiskamer staan. Ze keken elkaar even aan voor zij naar de deur liep.
Even later haalde ze Jasper uit zijn stoeltje zodat Peter kon afstappen en de tas met spullen van de fiets kon pakken. De snelbinders werkten niet mee. Zijn fiets viel bijna om en toen hij hem probeerde tegen te houden, stootte hij met zijn scheenbeen tegen de trapper. Hij klemde zijn kaken op elkaar en wachtte tot de pijn wegebde.
‘Dag kleine man!’ riep zijn vrouw tegen Jasper terwijl ze hem optilde, ‘ben jij fijn naar de speeltuin geweest? En heb je lekker met de andere kinderen gespeeld? Met Zohra en Wesley en…’
Zij tilde hem iets hoger en keek langzaam van zijn blote voetje naar de grond. Terwijl ze rondkeek, zette ze hem op haar heup en nam ze zijn voetje in haar hand. Ze fronste haar wenkbrauwen.
Intussen lag de tas op straat. De rits was opengebarsten en er rolde een potje billenzalf uit, in de richting van de stoeprand. Peter ging er achter aan. Zijn fiets viel alsnog om. Hij keek naar het potje dat langzaam doorrolde en daarna naar zijn fiets. Hij koos voor het potje.
‘Waar is Jaspers rechter schoentje?’ vroeg zijn vrouw. Peter bukte en greep het potje. ‘Peter?’
‘Wacht even’, antwoordde hij. Oh ja, dat potje was erg vet geworden. Het glipte uit zijn hand en hobbelde verder. Onder een auto. Peter zuchtte en stond op. Hij staarde naar Jasper en toen naar zijn vrouw. Er was iets.
‘Zijn schoentje?’ vroeg zijn vrouw nog eens. ‘En zijn sokje trouwens ook.’ Peter keek rond. ‘Nee, hier ligt niks. Ik heb al gekeken. Hij zal alles onderweg wel ergens verloren zijn.’ Peter knikte. ‘Heb je niets gemerkt?’
‘Heb je zelf wel eens op vrijdag om half zes in de middag dwars door de stad gefietst? Ik ben al blij als we hier levend en heelhuids aankomen!’ Ho, dat kwam er gemener uit dan hij had bedoeld. Maar hij kon niks verzinnen om het te verzachten.
Jasper begon te huilen. Peter sloot zijn ogen, hij had opeens zin om mee te huilen. In plaats daarvan tijgerde hij onder de auto naar het potje zalf en gooide het in de tas, die hij voor de voeten van zijn vrouw op de grond liet ploffen. Daarna zette hij zijn fiets recht en stapte hij weer op.
Toen hij op de hoek van de straat was, hoorde hij hun voordeur dichtvallen.
Papadag, het woord alleen al. Dat klonk echt veel gezelliger dan het was. Overleven, dát was het. Met je hart in je keel opstaan en tot na het avondeten met de angst in je hart hyperventileren. Bijna overgeven. Zoiets. In geen van hun boeken over opvoeding had hij dat gelezen. Waarschijnlijk had hij een bijlage gemist. Of een voetnoot.
Hij fietste langzaam verder terwijl hij de andere kant van de straat scande. En nu maar hopen dat niemand heel hulpvaardig had gedacht dat schoentje ergens op een paaltje te zetten of aan een boomtak te hangen, want dan vond hij het natuurlijk nooit meer terug. Daar zouden regels voor moeten zijn: wat te doen met op straat gevonden kinderspullen.
Hé, wat doet die man daar? Peter remde en stapte af. Nou moe, hij staat bij Jaspers sokje! En hij maakt er gvd een foto van! Creepy!
‘Hé griezel! Dat is mijn sokje!’ riep hij, ‘eh, van Jasper, van mijn…’ De man keek op en groette hem. Peter wist opeens niks meer te zeggen.
‘Nee,’ zei de man toen ze tegenover elkaar stonden, ‘ik loop niet de hele dag kindersokjes te fotograferen, mocht je dat denken.’
‘Het ziet er anders wel zo uit!’
‘Ik fotografeer gewoon dingen. Als ik een verhaal achter iets zie, zet ik het op de foto.’ Peter bukte en raapte het sokje op. Toen hij weer verder wilde gaan, vroeg de man: ‘Ben je toevallig ook een schoentje kwijt?‘. Hij tikte op zijn mobieltje en liet Peter een foto zien.

‘Ja! Ja, dat is het schoentje van Jasper!’
En toen omhelsde hij mij, wat ik een beetje ongemakkelijk vond, want hij was twee koppen groter dan ik en mijn hoed zakte scheef, zodat ik er nogal verfrommeld uitzag. Maar waarschijnlijk was er niemand die op mij lette, want een boomlange vent die tranen met tuiten huilt op de schouder van een nietsvermoedende schrijver op zoek naar een verhaal, dat was al bezienswaardig genoeg.