Writer’s block (en een poging om eruit te komen)

De twee mannen die ontspannen op hun sturen leunden, fietsen frontaal tussen hen in, zwegen. Oude kennissen, leek mij, die elkaar hier op een paadje in het park waren tegengekomen. Ze hervatten hun gesprek met de unisono conclusie dat ‘dit verhaal’ alleen maar verliezers had. Ze knikten er bij alsof ze niet alleen het verhaal, maar ook de verliezers goed kenden. Ik ging iets verder op een bankje zitten.

Op gehoorsafstand.

Ja, als je na een paar maanden writer’s block opeens vermoedt dat je eindelijk weer eens iets om over te schrijven op het spoor bent, mag je wel een keer je medemensen onfatsoenlijk afluisteren. Of misschien niet, maar ik zat al en het leek me vreemd om nu met mijn vingers in mijn oren op een bankje in een park te gaan zitten. Dan zou ik helemaal de aandacht van die mannen trekken. En zouden ze mij misschien wel ter verantwoording roepen. Terwijl ik nog helemaal niets gehoord had! Nee, dan kon ik beter uitleggen waarom ik hen had afgeluisterd nadát ik iets gehoord had.

(ik heb trouwens geen flauw idee hoe ik in een writer’s block terecht kwam. Opeens was ik er, of was het block er. Of nou ja, ik zag het wel aankomen, want ik had veel dingen aan mijn hoofd die al het andere verdrongen. Grote gedachten over van alles, waaronder het leven zelf, het zal eens niet.)

Eh…

Ik vroeg mij af of dat eigenlijk wel kon, dat iedereen verliest. Kennelijk. Maar om één of andere reden zat het me niet lekker. Het was zo moedeloos. Alsof er niets anders op zat dan te berusten in het noodlot. Veel te gemakzuchtig, vond ik opeens.

Ja, gemakzuchtig (wat dan weer een nogal arrogante bewering is van iemand die geen fatsoenlijk woord op papier krijgt en dat writer’s block noemt om toch íéts de schuld te kunnen geven).

‘Maar goed,’ gingen de mannen verder alsof ze mij gehoord hadden, ‘wij hebben makkelijk praten. Probeer de draad maar weer eens op te pakken als je zoiets hebt meegemaakt.’

Ik wist niet wat er meegemaakt was, maar wel dat de draad weer oppakken ook zonder dat je iets hebt meegemaakt een hele toestand kan zijn. Een opgave, om het eens in beleidsjargon te zeggen. Sterker nog, probeer maar eens door te gaan als er helemaal niks gebeurd. Als je níéts meemaakt. Een hels karwei, want er komt geen eind aan. Tenzij er dus iets gebeurt. En zegt u nou niet dat je dan zelf iets moet laten gebeuren, want dat is de hele makke, dat je met twee linkerhanden staat te kijken naar de stilstand als een aap naar een defecte handmixer.

‘Alleen maar verliezers’ is misschien nog erger dan tweede worden, besefte ik, omdat je dan geeneens jaloers op de winnaar kunt zijn. Soms helpt dat: afgunst. En als je dan alleen maar verloren hebt door het noodlot of nog ongrijpbaarder, door het bestaan in het algemeen, valt er nauwelijks ergens troost uit te putten. Je hebt verloren, punt.

Ho, wacht! Eigenlijk een fout woord, ‘verliezers’! Of nee, denken dat het om een wedstrijd gaat, dát is fout! Mijn fout om precies te zijn. Of misschien ook wel van die mannen, of misschien wel van iedereen, maar ík heb het hier opgeschreven, dus laat ík de schuld maar op me nemen.

Sorry dat ik u op het verkeerde been zette. Vergeet al het voorgaande.Er zijn geen verliezers. En ook geen winnaars. Hou dat vast!

Hoera!

Opeens moest ik aan mijn ongeluk denken. Ja, dat komt voor u misschien uit de lucht vallen, maar voor mij niet, want er zijn van die dagen dat in mijn hoofd alle wegen naar Rome leiden, als het ware, in mijn geval dus naar een bocht in de dijk bij Lexmond, tegenover nummer zoveel aldaar (ik weet heus wel welk nummer het was, maar het lijkt me niet netjes om dat hier te noemen), waar bizar genoeg een jonge verpleegkundige woonde (een week daarvoor met vlag en wimpel afgestudeerd!) die samen met enkele voorbijgangers (waaronder ook weer een verpleegkundige, een ziekenautoverpleegkundige nota bene) zich over mij ontfermde en over de man die mij had aangereden, dat wil zeggen, ontfermen was het bij die laatste niet echt, want ze was heel erg boos op hem, vertelde ze me later, en gaf die man zijn vet, waarna ze zei dat hij ook wel eens wat mocht doen, bijvoorbeeld ervoor zorgen dat ik in een goede houding bleef liggen (stabiele zijligging), wat hij dus deed, onbeholpen waarschijnlijk, want hij was zo te zien dan wel ongedeerd (hoorde ik later van een politie agent) maar ook in shock (bleek twee jaar later in de rechtszaal) en durfde mij nauwelijks te zien, bang dat zijn blik op iets verschrikkelijks zou stuiten, laat staan dat hij mij dorst aan te raken, wat het des te dapperder maakte dat hij ten slotte mijn hand pakte en zijn andere hand op mijn schouder legde, mijn schouder die helemaal aan gort was, maar dat wisten we toen nog niet, en zo naast mij bleef zitten tot de ambulance kwam.

‘Alleen maar verliezers’, herhaalden de mannen. Of: ‘alleen maar slachtoffers’.

Dat weet ik niet goed meer (wat ze precies zeiden bedoel ik) en dat deed er opeens niet meer toe, want ik zat (lag) nog met mijn gedachten op de dijk bij Lexmond. Ik herinnerde mij hoe zacht het gras van de berm was geweest en hoe overweldigend langzaam de wolken boven mij voorbij waren gedreven tot opeens de zon weer tevoorschijn kwam.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.