Pakje

Van huis uit was ik altijd dol op pakjes, maar de pakjesbezorgdiensten die ze bij mij zouden moeten brengen hebben dat goed vergald.

Ja: ‘zouden moeten brengen’ (onleesbare opeenstapeling van werkwoorden – sorry).

Mijn pakjes zijn namelijk altijd zoek. Bizar genoeg. Want hoe kan een pakjesbezorgdienst ze nou in vredesnaam altijd kwijt zijn? Logisch gezien zou die dan niet moeten bestaan, maar het tegendeel is waar, het sterft van de pakjesdiensten. En allemaal hebben ze ondoorgrondelijk logistieke processen voor de pakjes. Zouden hun managers op een of andere heidag bekeerd zijn door een goeroe die hen in de zweethut heeft laten dromen over de reis in plaats van de bestemming?

Dat is dan goed gelukt, want aan reizen geen gebrek. En dan heb ik het niet alleen over de reizen van de pakjes. De laatste keer dat ik iets zou ontvangen, heb ík de halve stad doorkruist om een pakje te zoeken dat naar een afgelegen (en onvindbaar) ophaalpunt zou zijn gebracht.

Dus niet. Het was daar niet en ook nooit geweest.

Terwijl de vrouw van de winkel nog eens naar achteren liep, vergaapte ik mij aan de spetterende Marokkaanse trouwjurken die ze verkocht. Ik ben niet the marrying kind maar ik stond op het punt om daar anders over te gaan denken.

Dat is dan weer wel het leuke van ophaalpunten, dat zijn altijd winkeltjes waar ik niet in durf en waar ik dan toch binnenstap. Een van mijn makkes is namelijk drempelvrees. Maar omdat ik achter mijn pakje aan ga, moet ik uiteindelijk wel zo’n winkel binnen om er dan altijd blij verrast uit te komen, zelfs als het onverrichter zake is, want het zijn geweldige winkeltjes die al even geweldige dingen verkopen. Alles schreeuwt erom gekocht te worden, met uitbundige kleuren en vrolijk roepende woorden die onbegrijpelijke beloften doen die ik meteen geloof. En de winkeltjes ruiken ook zo lekker. Mijn dichtst bijzijnde ophaalpuntwinkeltje ruikt naar salmiak. Fijne jeugdherinnering.

De eigenaar van de zaak is even relaxed als ik gespannen. Meestal schudt hij zijn hoofd al als hij mij ziet binnenkomen, want hij weet wie ik ben en hij heeft in het magazijntje achter in zijn winkel geen pakje voor mij. Mijn bewering dat ik toch echt een bericht daarover heb ontvangen, wimpelt hij op vriendelijke toon af met het advies om verhaal te halen op de website of in de app van de pakjesbezorgdienst.

Dan moet ik alweer een drempel over, namelijk de mens-machine scheidslijn, om een absurde conversatie (chat is het moderne woord) te voeren met een tekstrobot genaamd Tracy. Pun Intended, vrees ik. Hoe sneu is het dat een pakjesbezorgdienst haar chatbot Tracy noemt!? In het Nederlands: Zoekie!?

Ik ben een mens en ik verlies mijn geduld als Tracy voor de zoveelste keer vraagt: ‘Ik begrijp dat je pakje vertraagd lijkt. Heb ik dat goed begrepen?’ Let vooral op het woordje ‘lijkt’. Ik was al een week naar mijn pakje op zoek en drie keer bij het ‘aangegeven’ ophaalpunt geweest, maar toch een slag om de arm houden en suggereren dat het misschien wél op tijd is.

Ik weer terug naar het winkeltje. Op een zaterdagmiddag. Dat is dom, want dan is het druk. Het is altijd al verbazingwekkend dat er überhaupt mensen in het winkeltje passen, maar nu is het nog verbazingwekkender. Ik sluit achteraan in de rij, die er alleen maar is omdat het de enige manier is om met een zestal mensen in het winkeltje te wachten. We kunnen niet op of om.

Ho, nou lieg ik, want achter in de winkel krijgt een man het voor elkaar om samen met zijn zoontje een sprei voor een twee persoonsbed uit te vouwen om te zien of het wel de goede maat is. Misschien wel, misschien niet, dus ze besluiten het er niet op te wagen en proppen de sprei terug in de verpakking.

Dan ben ik aan de beurt. Ik mag zelf mijn naam in het apparaatje van de man typen. Hij schudt weer eens zijn hoofd. Dat doet hij ook als ik mijn voornaam en de naam van mijn straat en de code van achttien (18!) cijfers en letters typ. Het pakje is er nog steeds niet.

Dat wil zeggen, het is niet gescand. Een subtiel verschil dat in deze moderne tijd onoverkomelijk is. We zijn inmiddels met z’n allen zover dat we niet alleen allerlei taken aan apparaatjes overlaten, maar ook verantwoordelijkheden. Dat het pakje zoek was, lag aan het apparaatje.

Dat het pakje er heus wel kan zijn terwijl mijn naam niet in het apparaatje staat, is old school logica die niet meer telt. Dat de man des ondanks nog eens op zoek gaat naar mijn pakje is gewoon omdat hij aardig is, aardig voor die meneer met zijn grijze baard die het allemaal niet snapt.

Intussen wil ik dat ook helemaal niet meer, zodat ik ook niet hoef te begrijpen welke strategie de man volgt in zijn kleine magazijn. Hij plukt lukraak pakjes van planken en zet ze op andere planken weer terug nadat hij de adresstickers gelezen heeft. Intussen roep ik een paar kenmerken van het pakje naar hem toe, grote, kleur, afzender, et cetera.

Tot verrassing van de aanwezigen blijkt achter/onder de sprei een vrouw in een witte tuinstoel te zitten die druk aan het telefoneren is. Haar woorden komen tevoorschijnals een zwerm duiven en fladderen even rond tot de vrouw stil is en naar de persoon aan andere kant luistert.

De man van de winkel luistert niet, maar scandeert mijn achternaam, alsof hij verwacht dat een van de pakjes ‘present!‘ zal roepen. Ik kijk verlegen achterom naar de mensen in de rij. De vrouw in de tuinstoel schaterlacht aanstekelijk. ik zet mijn hoed af en wis het zweet van mijn voorhoofd. De vader en zijn zoon halen een tweede sprei uit de verpakking. Ik ga op een grote baal rijst zitten, staar naar de enorme pakken waspoeder tegenover mij in een wandrek en denk aan de legendarische hut-scène uit A Night in Casablanca van de Marx Brothers. Intussen galmt de man nu mijn achternaam, de mensen in de rij zingen met hem mee. Het wordt een dolle boel en ik heb het gevoel dat ik jarig ben.

Nou alleen het pakje nog, denk ik heel toepasselijk, en vol hoop, want iedereen lacht naar mij.

Dan gaat de bel. De bel? Ik rol uit mijn leunstoel.

Eek!

Even later doe ik slaperig de voordeur open. Mijn overbuurvrouw.

‘Is dit misschien voor u?’ vraagt ze. ‘Het staat al dagen bij ons in de gang.’

Ik ben niet the marrying kind, maar ik heb haar toch ten huwelijk gevraagd.

De foto is van Wikimedia Commons.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.